Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1965 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 274

2 minuten leestijd

226

F. J. TOLSMA

Het invoeren van de anthropologisch-fenomenologische methode heeft bij andere onderzoekers wel eens wantrouwen en misverstanden gewekt. Als bezwaar werd gevoeld, dat de fenomenologie zich verloor in haarkloverijen en dat de anthropologie de psychiater weg zou voeren van een exact-wetenschappelijke basis. Dat dit gevaar geheel denkbeeldig is blijkt genoegzaam uit het werk van Janse de Jonge, die, naast zijn belangstelling voor de fenomenologische anthropologie, belangrijke klinische studies publiceerde. De fenomenologie voegt aan de psychiatrie een uitermate boeiende dimensie toe, zij heeft een eigen wetenschappelijke inbreng gehad, zo zelfs, dat de moderne psychiatrie zonder haar moeilijk meer denkbaar is. De wijsgerige anthropologie op zichzelf evenwel heeft meer een tijdsaspekt, het wezenlijke van de mens is niet in één standaardformule te verwoorden en wanneer we de gevonden sleutel tot het menszijn willen toepassen op de psychiatrische ziektebeelden geeft dit gemakkelijk aanleiding tot simplificaties. Het is b.v. opmerkelijk hoe de ik-gij verhouding en het begrip ontmoeting, geleidelijk aan op de achtergrond zijn geraakt en het naoorlogse enthousiasme is tot op zekere hoogte afgeëbd. We vinden bovengenoemde ontwikkeling duidelijk terug in het werk van Janse de Jonge. Zijn dissertatie, welke getiteld was ,,De ik-gij verhouding en de ik-zelf verhouding in de neurotische zijnswijze" toont nog de kenmerken van de anthropologische „zekerheid", in zijn laatste artikel in „Geloof en Wetenschap", getiteld ,,Weten en geloven omtrent de mens", blijkt zijn grote waardering voor het werk van Schelski, die in zijn theorie over de „Dauerreflexion" uitdrukking gaf aan de twijfel of de mens ooit via een nadenken over zichzelf aan een eindpunt komt met als gevolg een relativering van de anthropologische zekerheden. In dit opzicht is er een zekere parallel aanwijsbaar tussen de psychiatrische wetenschap en de theologie. •''' ' . Van de anthropologische studiekring binnen het kader van de Vrije Universiteit, welke gedurende een aantal jaren regelmatig bijeenkwam, was Janse de Jonge een trouw bezoeker en hij nam actief aan de discussies deel. De anthropologisch-fenomenologische bezinning heeft Janse de Jonge in elk geval niet meer losgelaten. Daarbij behield hij zijn ethisch-irenische inslag. De ik-gij verhouding bleef in feite een onvervreemdbaar deel van zijn benadering van de medemens, ook van de anders denkende psychiater.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1965

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 364 Pagina's

1965 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 274

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1965

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 364 Pagina's