Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1965 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 261

2 minuten leestijd

GELOVEN EN WETEN

217

middelende bewustzijnsinhoud. Geloven blijkt dus het voortbrengen van zijn eigen tegendeel, n.l. verstandskennis. Al gelovende heft het geloof zich op, wordt het geloofde geweten. Van het weten kan het omgekeerde worden beredeneerd. Alle verstandelijk overwegen loopt voortdurend uit op gelovig aanvaarde zekerheden, op „gegevenheden" waarvan het verstand niet weet hoe het er aan komt. H e t verstand verstaat alleen maar krachtens d e (meestal ongeweten) verwijzing naar, als geloofsartikelen fungerende, vooropzetsels. W a t de problematiek van geloven en weten aan de gang houdt is het feit dat de gelovende niet weet hoezeer hij zijn verstand gebruikt en dat d e verstandeling niet beseft in welk geloof (en in welke goedgelovigheid!) hij wandelt. Geloven en weten zijn, zo kunnen wij zeggen, voortdurend naar elkaar onderweg, doch als dit zelfde proces verwijderen zij zich tevens van elkaar. H e t begrip nu is het weten dat zich in deze paradox e n als deze paradox (deze in zich tegenstrijdige beweging) herkent. Begrip noemt zich het werkzame bewustzijn dat weet hoezeer het in zich zelf tegen zich zelf is. Om niet desondanks, doch juist dank zij deze zelf te niet doening, zich te handhaven en zich eeuwig voort te brengen. D e waarheid omtrent geloven en weten is . . . het begrip, of in religieuze taal: de verzoening van geloof en wetenschap is God.

urshlografica J. V. Meininger, geboren 16 augustus 1919 te Rotterdam. Studeerde, na H.B.S.-B-opleiding, geneeskunde te Leiden en te Amsterdam. Behaalde in 1949 het artsdiploma te Leiden en werd daarna huisarts. Autodidact in de filosofie. Promoveerde in 1958 bij Professor Carp te Leiden op een medischwijsgerig onderwerp: De Patiënt en zijn Geneesheer, een bijdrage tot de ontwikkeling van het begrip communicatie. Publiceerde diverse artikelen op het gebied van de medische psychologie en de filosofie in het Nederlands Tijdslhrift voor Psychologie en in De Idee. In 1961 verscheen van zijn hand het boek: Geloven en Weten. Hij richtte in 1951 de Rotterdamse Wijsgerige Kring op en werd in 1961 voorzitter van de Stichting voor Wijsgerige Wetenschap, die in 1964 te Amsterdam een leergang in wetenschappelijk denken organiseerde. Sedert oktober 1963 secretaris van de Geneeskundige Raad van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1965

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 364 Pagina's

1965 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 261

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1965

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 364 Pagina's