Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1965 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 198

2 minuten leestijd

aduuUing In aansluiting op wat we in Jaargang 1964, blz. 212, uit Dijksterhuis „De mechanisering van het wereldbeeld" als „bladvulling" overnamen, citeren we hier nog het volgende (blz. 424). „161. Men noemt Galileï wel eens een martelaar der wetenschap. Wie dat doet, kent het verloop van het Galileï-proces niet of hij weet niet wat een martelaar is. Galileï heeft zich het gehele proces door juist als het tegenovergestelde van een martelaar gedragen; hij heeft alles gedaan wat hij kon om zich vrij te pleiten van een schuld die hij in formele zin ongetwijfeld op zich had geladen, namelijk de verdediging van het Copernicaanse stelsel, en hij is daarbij niet teruggedeinsd voor de meest abjecte zelfvernedering. Niemand heeft het recht, hem hiervan een verwijt te maken; wetenschappelijke overtuiging inspireert nu eenmaal minder gemakkelijk tot heroïsme dan geloof. Men moet echter de categoriën niet verwarren en hem niet eren voor een houding die men beter doet te versluieren. Wel kunnen alle partijen hem voor die houding dankbaar zijn: de R.K. Kerk, omdat zij niet gedwongen is geweest tot de consequenties waartoe standvastigheid van de aangeklaagde haar zou moeten hebben voeren; de nauurwetenschap, omdat hij haar in de jaren die hem na het proces nog gegund waren, de schoonste vrucht van zijn geest, de Discorsi, geschonken heeft. 162. Er is in het gehele Galileï-proces slechts één wijs man geweest, de kardinaal Bellarminus. Reeds een jaar voor de beslissing van 1616 gaf deze in een brief aan den Carmeliet Foscarini aan hem en Galileï den raad, het Copernicaanse stelsel ex suppositione te behandelen, dus alleen te betogen, dat de verschijnselen der planeten eenvoudiger te redden zijn, wanneer men de zon dan wanneer men de aarde als wereldcentrum kiest. Met het oog op de moeilijkheden die vaii' theologische zijde waren opgeworpen, achtte hij het de aangewezen gedragslijn om, zolang er geen doorslaggevende bewijzen voor de aardbeweging geleverd waren, op deze wijze de astronomie ongestoord te blijven beoefenen en de harmonie met het geloof in stand te houden. Galileï echter, overtuigd als hij was, dat hij die bewijzen wel bezat (waarin hij, zoals we thans weten, dwaalde) was voor dit soort wijsheid, die dezelfde was als die vaU' Osiander, nu juist helemaal ongevoelig en zo hij al ooit getracht heeft, er naar te handelen, heeft hij het toch niet van zichzelf kunnen verkrijgen, dit te blijven doen".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1965

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 364 Pagina's

1965 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 198

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1965

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 364 Pagina's