Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1965 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 288

2 minuten leestijd

240

H. VERHEUL

volumeterm ongeveer 16 MeV is. Dus als we afzien van randeffecten, Coulomb-wisselwerking, het paareffect en het symmetrie-effect, dan is de bindingsenergie per nucleon ongeveer 16 MeV. Als we nu alle eigenschappen van de kernkrachten zouden kennen en het veeldeeltjesprobleem mathematisch zouden kunnen oplossen, dan was deze energie te berekenen. Door Brueckner, Goldstone, Bethe en anderen zijn theorieën ontwikkeld om dit probleem benaderend op te lossen. Met inachtneming van de meest nauwkeurige experimentele gegevens over de eigenschappen van kernkrachten komt men tot een bindingsenergie per nucleon van 8 MeV. Dit is slechts de helft van de experimenteel gevonden 16 MeV. Op een kernfysisch congres, dat het vorig jaar in Parijs werd gehouden, vertelde Bethe, dat hij berekeningen had uitgevoerd die hem met zeer ruwe benaderingen leidden tot een bindingsenergie van 12 MeV per nucleon. Ook gaf hij een afschatting van het effect der 3- en 4-deeltjes krachten. Duidelijk wordt met deze getallen geïllustreerd, dat kernkrachten met hun zeer gecompliceerde karakter, vooralsnog niet correct te beschrijven zijn. Worden met de geschetste experimentele opstelling de massa's van kernen nauwkeurig gemeten, dan is een zo groot mogelijk scheidend vermogen vereist. Dit is niet het geval als men slechts wil weten welke massanummers behoren bij de eindproducten van een radiaactief vervalsproces of van een kernreactie. Dan is het immers alleen nodig te kunnen onderscheiden tussen isotopen met verschillende massanummers, een nauwkeurige massabepaling wordt niet gevraagd. Ditzelfde geldt voor het geval dat de apparatuur gebniikt wordt voor het bepalen van relatieve werkzame doorsneden van reacties of halveringstijden van langlevende radioactieve isotopen. Als voorbeeld noem ik u de meting van de relatieve werkzame doorsneden voor de vangst van thermische neutronen door Gd-isotopen. Het element Gd bevat isotopen met massanummers 154, 155, 156, 157, 158 en 160. Door nu voor en na de bestraling met thermische neutronen de mengverhouding der isotopen te meten, kan men de relatieve werkzame doorsneden voor het vangstproces bepalen. Uit dit experiment bleek, dat de kans dat een neutron gevangen wordt veel groter is voor de istotopen met een oneven aantal neutronen, dan voor de isotopen met een even aantal neutronen. Kennelijk speelt dus ook hier het paareffect een rol. Steeds meer gebruikt men deze apparatuur echter als massa- of iso-

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1965

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 364 Pagina's

1965 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 288

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1965

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 364 Pagina's