1965 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 325
INGEZONDEN
273
animals and speculating too far beyond the evidence") toch ten behoeve van zijn evolutietheorie wèl „generatio spontanea" aanvaardde. 5. Op biz. 88 spreekt Lever over de diepste zin van het paradijsverhaal: „Daar (nl. in het paradijs) wordt hij (de mens), en dat lijkt de diepste zin te zijn, met God en de wereld en het leven geconfronteerd". En zegt — na dit enigszins uitgewerkt te hebben — „Woord voor woord openbaart het verhaal de essentiële zin van deze werkelijkheid en de wezenlijke achtergronden van de mensheid". De woorden „diepste", „essentiële" „wezenlijke" bergen grote moeilijkheden in zich. Men kan er zovele kanten mede uit. Wordt de grens tussen „uitleggen" en „inleggen" hier al dan niet overschreden? Welke exegetische beginselen liggen aan deze, op zich zelf zeker wel aantrekkelijke, beweringen ten grondslag? ledere exegese wordt voor de grote moeilijkheid geplaatst van te vragen naar de „bedoeling" van de auteur. Hoe raadselachtig dat begrip „bedoeling" ook wezen moge, ik geloof, dat toch geen bijbelvertaler — en vertalen is toch altijd tevens min of meer uitleggen — in de praktijk van zijn werk ontkomt aan de telkens weer opduikende vraag „wat bedoelt de schrijver hier toch eigenlijk" en moet trachten op die vraag een zo bevredigend mogelijk antwoord te vinden. Letterkundige studies over ontstaan van literatuur en literatuurvormen in verschillende tijden en bij verschillende volken zijn natuurlijk onontbeerlijk en kunnen veel helpen, maar uiteindelijk moet een keuze gedaan worden en een beslissing vallen. En dan komen ook vragen aan de orde als die van de eenheid van^ alle bijbelboeken (b.v. moeten de verhalen van de moordenaar aan het kruis en het genesisparadijsverhaal per se met elkander in overeenstemming gebracht worden?) en die van wat, vroeger vooral, genoemd werd: het tweeërlei auteurschap van de bijbel (de actuele schrijvers, ev. redacteuren èn de Heilige Geest). Wel weet Lever zelf heel goed, dat zijn opmerkingen „wat éénzijdig" zijn, maar deze eenzijdigheid zou ik dan, in het belang van de zaak, toch wel wat duidelijker willen laten uitkomen. 6. Vlak vóór het bewogen slot van zijn voordracht citeert Lever in hun geheel de verzen 15-20 uit Col. 1, die het N.B.G. plaatst onder het hoofdje „De voorrang van Christus". M.i. een van de duisterste en moeilijkste gedeelten van de Bijbel. Prof. Van Veldhuizen zeide er van in Theol. Stud. 1917 (citaat door mij ontleend aan Tekst en Uitleg 1919, blz. 10) ,,Wij Westerlingen kunnen Ks. (Colossensen) niet begrijpen, omdat Paulus door de Oosterlingen zoo goed begrepen werd". Hoe het nu er mee staat, weet ik niet. Wel kan ik me er geen preek over herinneren. En, eerlijk gezegd, ik kan ook niet goed begrijpen, wat Lever er eigenlijk mede beginnen wil. „En dan doemt in de verte het bevrijdende beeld op van een christelijke geloofsvisie op de werkelijkheid, waarbij de gehele schepping als een gigantische ontwikkeling in één', in ieder mens doorbroken, maar te hechten, lijn door loopt naar Jezus Christus als de Goddelijke zin en het hoogtepunt er van". Ik weet, dat Paulus in 1 Col. 1 over zó diepe en zó verheven dingen spreekt, dat de menselijke taal
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1965
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 364 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1965
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 364 Pagina's