1965 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 141
WETEN EN GELOVEN OMTRENT DE MENS
109
heeft men tegenwoordig veel minder behoefte aan een dergelijke ontologische grondslag voor de wetenschap. Ook ziet men dat een onderscheiding als die van natuur en geest steeds meer haar waarde verliest. Men spreekt dus niet meer over het object van wetenschap, men spreekt ook niet meer over de soort van wetenschap waarbinnen men werkt, maar gaat steeds meer zijn aandacht richten op de methode die men gebruikt en erkent daarbij van het begin af aan, dat de bepaalde methode die men zal gaan gebruiken een beperkte waarde heeft en daarmee dus een relatief karakter draagt. Dat betekent echter ook dat men in de gang van de wetenschap steeds verder afdwaalt van de totaliteitsgedachte, aangezien tot op zekere hoogte die gedachte juist een ontologisch karakter draagt. De geneeskunde kan bij de pogingen tot opheldering van haar begrippen niet in het theoretische vlak blijven steken, maar zij moet zich altijd weer oriënteren op de practische toepassing. In de geneeskunde zijn bepaalde begrippen alleen maar werktuigen, die hun waarde moeten bewijzen in de practische omgang met de concrete taak van de arts. Een dergelijke opvatting omtrent een wetenschappelijk begrip draagt een instrumenteel karakter; het begrip is een instrument, vindt men een beter instrument dan laat men het begrip weer schieten. Een dergelijke opvatting is ook functioneel pragmatisch van aard, functioneel in die zin dat men zich inderdaad niet meer met de vragen omtrent de totaliteit bezig houdt, maar zich af gaat vragen wat een bepaald verschijnsel voor functie heeft en hoe het functioneert in het geheel van het menselijk bestaan. Een duidelijk voorbeeld daarvan ziet men in de moderne psychiatrie, waarbij allerlei referentie-kaders, biotische, psychologische, sociologische, etc, worden afgegrensd, die met elkaar een functioneel geheel vormen. Ook deze laatste uitspraak, dat zij met elkaar een functioneel geheel vormen, is al weer wat theoretisch van aard. Wil men een bepaalde grootheid in het ontwikkelingsgeheel van het menselijk bestaan onderzoeken, dan zal men moeten komen tot een operationele omschrijving, d.w.z. dat de vraagstelling zó geformuleerd moet worden, dat men er inderdaad mee kan gaan werken. Het begrip onbewust bijv. droeg bij Freud een functioneel karakter, bij Jung werd het al tot een ontische grootheid, en in de tegenwoordige medische psychologie is men teruggekeerd tot de functionele opvatting van Freud, terwijl men in de experimentele benadering van de moderne psychotherapie probeert te komen tot een operationele vraagstelling.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1965
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 364 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1965
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 364 Pagina's