1966 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 314
262
T. D. STAHLIE
Zouden die biologische factoren, tezamen met eventuele natuurrampen, volledig hun invloed kunnen doen gelden, dan zou er nimmer gedurende langere tijd meer van overbevolking sprake kunnen zijn, daar de populatie het natuurlijke maximum niet zou kunnen overschrijden. Denkt men aldus, dan ziet men over het hoofd dat een populatie van mensen nu eenmaal niet meer door zuiver biologische factoren alleen geregeerd wordt, dat zelfs uiterst geïsoleerd levende bevolkingsgroepen — (die overigens uit een oogpunt van wereldbevolkingsvraagstukken verwaarloosbaar klein zijn) — nog wel op één of andere wijze de invloed ondergaan van wat er elders op de wereld gebeurt, en dat het verder de mens eigen is te trachten zijn lot in eigen handen te nemen, of, Bijbelser gesteld, dat hem is opgedragen mede te werken aan de vorming van eigen en anderer lot. En daarmede bevinden wij ons dan meteen in mediis rebus: als christenen kunnen en mogen wij niet lijdelijk toezien hoe het lot van veraf wonende volkeren zich voltrekt, ook al hebben die volkeren andere gewoonten en andere, meestal geringere, behoeften, en zelfs al is hun benadering van de grote menselijke problemen van leed, ziekte en dood een geheel andere dan de onze. Nu kan ik dit wel zo stellen, maar men zal mij onmiddellijk vragen, welke instelling dan van ons ten opzichte van de steeds toenemende en hier en daar schrikbarende omvang aannemende bevolkingsdruk in de ontwikkelingslanden gevraagd wordt. Ik meen dat het goed is u op dit moment enig cijfermateriaal aan te bieden. Dit materiaal is weliswaar grotendeels ontleend aan gegevens die betrekking hebben op Azië, doch ze zijn in grote lijnen ook van toepassing op Afrika en Latijns Amerika. Teneinde enkele tendensen wat beter tot uitdrukking te laten komen, geef ik u in de eerste plaats enige vergelijkingen tussen de perioden 1945-49 en 1955-59. Ceylon had in de eerstgenoemde periode een geboortecijfer van 38.2 per 1000 inwoners en in de tweede van 36.6, een geringe daling dus, hetgeen niet behoeft te betekenen, gelijk de vorige spreker heeft uitgelegd, en in dit geval ook niet betekent, dat het absolute aantal geboorten is teruggelopen. In dezelfde perioden waren de sterftecijfers echter respectievelijk 16,0 en 9.9 per duizend, hetgeen dus inhoudt, dat in de eerste periode — (afgezien van eventuele migratiesaldi) — het jaarlijkse accres 2.22, en in de tweede niet minder dan 2.67 % heeft bedragen. Eén en
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1966
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 368 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1966
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 368 Pagina's