1966 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 194
158
JOH. BLOK
Omstreeks 1948 begonnen in de literatuur al mededelingen te verschijnen over pogingen om de draadstructuLu* van DNA door elektronenmicroscopie zichtbaar te maken. Deze stuitten aanvankelijk op vele technische moeilijkheden, doch werden in de laatste jaren met groot succes bekroond. Het eerste probleem dat voor dit doel moest worden opgelost is het aanbrengen van voldoende contrast. De verstrooiing van elektronen, die een DNA-draad met een dikte van 20 A veroorzaakt, is verwaarloosbaar vergeleken met de elektronenverstrooiing door het substraat. Op twee manieren werd deze moeilijkheid overwonnen. Meestal bedient men zich van de door Williams en Wyckof reeds in 1944 ontwikkelde methode, waarbij onder een kleine hoek met de drager een zwaar metaal op het preparaat wordt verdampt. De drager wordt dan bedekt met een uniform laagje metaal, behalve een smalle strook die in de schaduw van de DNA-draad is gelegen. Vanzelfsprekend worden hierbij hoge eisen gesteld aan het oppervlak van het substraat, dat volkomen vlak moet zijn, en aan de fijnkorreligheid van het metaallaagje, dat zo weinig mogelijk achtergrondstructuur te zien moet geven. Door Hall [6] werd de methode in 1956 geperfectioneerd met het oog op het onderzoek van DNA. Een tweede methode, reeds bekend uit de elektronenmicroscopische histologie, werd in 1961 door Beer [9] toegepast bij het onderzoek van DNA-moleculen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de sterke adsorptie van uranylionen aan nucleĆÆnezuren. Uranium geeft uiteraard een sterke verstrooiing van elektronen, waardoor de DNA-moleculen gaan contrasteren met de drager. In dit geval kan de dikte der draden onmiddelhjk worden geschat, mits het scheidend vermogen van de microscoop groot genoeg is. Bij gebruik van de schaduwmethode kan de dikte worden afgeleid uit de breedte van de waargenomen schaduw. De eerste elektronenfoto's van gedroogde DNA-preparaten, vervaardigd met behulp van de schaduwmethode, gaven inderdaad een netwerk van vezels te zien [5]. De dikte was echter in het algemeen aanzienlijk meer dan 20 A. Hall [6] toonde aan, dat dit een gevolg is van de overlangse associatie van DNA-draden bij het drogen. Gebruikt men sterk verdunde oplossingen, dan vindt men inderdaad losse draden met een dikte tussen 15 en 20 A. Tot 1958 vertonen vrijwel alle elektronenfoto's van DNA-draden plaatselijke verdikkingen en brede, platte structuren, vooral aan de
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1966
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 368 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1966
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 368 Pagina's