1966 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 55
PROJECTIE EN ONTMOETING
35
toezien". Het grote verschil is echter, dat Fortmann niet duidelijk laat uitkomen, dat voor deze revisie méér nodig is dan uitsluitend een verbetering van de waarneming. Nodig is namelijk een principiële positiewijziging van de oordelende mens ten aanzien van de beoordeelde realiteit. Uit deze „positiewijziging" volgt een ander, een scherper waarnemen. Tussen deze oppervlakkige en deze scherpe waarneming bestaat een kwalitatief onderscheid en geen vloeiende, slechts kwantitatieve overgang. Wellicht ligt de oorzaak van Fortmann's reductie van het projectie-vraagstuk in het feit, dat hij de „waarneming" als een vanzelfsprekend begrip invoert? Het door Fortmann gebruikte waarnemingsbegrip gaat — voor zover ik zie — goeddeels voorbij aan een essentieel stuk contact- en communicatieproblematiek. Het lijkt te stammen uit de klassieke sfeer van de subject-objectendistantie. Alleen reeds daardoor kan langs deze weg het projectiebegrip niet adekwaat worden opgehelderd. Een tweede punt, dat met dit eerste samenhangt, is, dat Fortmann weliswaar beroep doet op een fenomenologisch uitgangspunt, doch dat hij dit uitgangspunt niet wezenlijk uitwerkt. De werkelijk vernieuwende kracht van de fenomenologie kan daardoor niet voldoende tot ontwikkeling komen. Zo wordt niet duidelijk, dat fenomenologie alleen mogelijk is in de ,,fenomenologische houding": „das was sich zeigt, so wie es sich zeigt von ihm selbst her sehen lassen" (Heidegger). Deze fenomenologische houding, waarin de mens voorzichtig, bijkans teder de ontzagwekkende werkelijkheid benadert, mist de projector. Zelfs de fenomenoloog die zich aan de fenomenologische voorzichtigheid houdt, en die het voortijdig denkend oordeel („das voreilige Meinen", Heidegger) uit zich tracht te bannen, zal steeds weer aan eigen projecties ten offer kunnen vallen, omdat de mens nu eenmaal geneigd is de werkelijkheid vanuit zichzelf te benaderen en te beschouwen. k. Ondanks Fortmann's principiële kritiek op de relevantie van het projectiebegrip ben ik dus geneigd, ook al op grond van de toch wel bijzondere eigensoortigheid van het verschijnsel in de hele dynamiek van de omgang van de mens met de realiteit, zoals in de gegeven voorbeelden werd geschetst, de projectie te zien als een gebeuren, dat een zeer speciale, maar algemene, psychologische functie heeft. Herhaald moge worden, dat Fortmann's uit-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1966
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 368 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1966
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 368 Pagina's