Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1966 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 358

2 minuten leestijd

302

J. LEVER

In een aantal gevallen kan het antwoord op deze vraag bevestigend zijn. In de allereerste plaats geldt dit natuurlijk de opleiding van hen die naderhand in het experimentele dieronderzoek zullen worden ingeschakeld. In iets beperktere mate — en in de praktijk is dit ook inderdaad zeer beperkt — geldt dit ook voor hen die naderhand zeer speciaal met de resultaten van dit onderzoek zullen moeten werken. Zij dienen een inzicht te hebben in de wijze waarop deze resultaten zijn verkregen. Dit geldt m.n. voor artsen, dierenartsen, pharmaceuten en sommige typen landbouwkundigen, maar ook voor hen die leraar in de biologie moeten worden. Dit betekent dat bij het wetenschappelijk onderwijs het dier-experiment in het algemeen niet gemist kan worden. Bij het middelbaar onderwijs ligt het anders. Hier is naar mijn mening geen behoefte aan het verrichten van experimenten met dieren, die hen schade berokkenen. En in de praktijk van het Nederlands middelbaar onderwijs geschiedt dit naar mijn weten ook niet. De conclusie uit het voorgaande is dus dat er bij de huidige stand van zaken in Nederland geen noodzaak is tot een invoering van reglementerende en beperkende bepalingen ten aanzien van het gebruik van proefdieren. Naar mijn inzicht zou wel overwogen kunnen worden een officiële adviesinstantie in het leven te roepen — van het karakter van de Stichting Landelijke Werkcommissie Laboratoriumdieren — die stimulerend werkt t.a.v. de zoeven genoemde deskundigheid van experimentatoren, de verantwoorde wijze van proefopzetten en het zo goed mogelijk houden van proefdieren. Er zijn voldoende deskundigen op deze gebieden in ons land om een dergelijke instantie een dusdanige waarde te geven dat alle instituten die met proefdieren werken reeds uit efficiëntie- en kwaliteitsoverwegingen daar gaarne vrijwillig adviezen zullen inwinnen. Deze instantie zou gerealiseerd moeten worden in de wetenschappelijke sfeer zelf, en tevens wellicht geincorporeerd kunnen worden in een der bestaande samenbundelende organisaties op wetenschappelijk gebied. Een geheel andere vraag is die naar de wijzen waarop de laboratoria aan hun proefdieren komen. Er is sinds de oorlog een ontwikkeling gaande waarbij meer en meer de laboratoria deze zelf gaan kweken dan wel hun dieren betrekken van speciaal hiertoe opgerichte instellingen. Deze ontwikkeling is een eis van het onderzoek zelf daar

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1966

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 368 Pagina's

1966 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 358

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1966

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 368 Pagina's