1966 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 82
58
J. BLOK
Dippel wijst er met klem op dat wij niet moeten trachten Gods gedachten af te lezen uit natuurwetenschappelijke gegevens; Gods gedachten zijn hoger dan de onze. Onze logica mogen wij niet vereenzelvigen met de Zijne. In onze wetenschappelijke theorieën en theoretische argumentaties komt God dus niet voor. ledere gedachte aan een natuurlijke theologie is Dippel vreemd. Hij wenst niet te proberen uit de studie van de natuur iets te concluderen over de kennis van God op grond der dingen of vanuit de kennis van God te besluiten tot kennis over de natuur (pag. 101). Doet men dit wel dan prevaleert het heidense natuurbegrip boven het bijbelse scheppingsbegrip. Na het voorafgaande zal het niet bevreemden dat Dippel zich keert tegen hen die de natuur willen begrijpen; de natuurwetenschap dient zich te beperken tot dat wat „behandelbaar" („practical") is. Het begrip „behandelbaar" heeft meerdere kanten: het doelt op het begripmatig behandelbaar zijn, maar evenzo op het experimenteel of technisch behandelbaar zijn (pag. 179). Een verklaring voor een complex verschijnsel is in strikte zin uitgesloten; men zal niet verder kunnen gaan dan een „beschrijvende verklaring"; verklaren is dan „een wandeling door het beschrijvingsnet van relaties, begrippen en symbolen, die dan op deze wandeling steeds expliciet worden aangewezen" ,pag. 124). „Verklaring" van de natuur is voor de mens te hoog gegrepen; hij mag diep in zijn hart geloven dat uiteindelijk de natuur begrepen zal kunnen worden, zijn werkmethode dient gericht te zijn op dat wat „behandelbaar" is, een methode die gekenmerkt wordt door een wisselend samenspel van inductie en deductie (pag. 104 en 109). Hoe moeten we nu onze kennis van de natuur beschouwen? Dippel wijst de uitdrukking af dat wij op deze wijze een beeld van de natuur zouden maken. Een dergelijke uitdrukking gaat z.i. in tegen de al genoemde contingentie en negeert de onpeilbaarheid in Gods daden (pag. 123). Een andere aanduiding van onze kennis kan zijn „physikalisches Weltbild" of de door Margenau gebruikte term „physical reality" (pag. 135). Dippel kiest voor de tweede, „beeld-loze" formulering. Bij de bespreking ervan gaat hij vrij uitvoerig in op de wijze waarop de gegevens over de „physical reality" worden verkregen. Door toepassing van de natuurwetenschappelijke methode beperken we ons tot die verschijnselen die voor ons „behandelbaar" zijn, die bij herhaling te controleren zijn en die in maat en getal en met logica kunnen worden gefixeerd. Wat we doen kan beschouwd worden als een methodisch filtratieproces waarbij de „physical reality" het residu
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1966
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 368 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1966
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 368 Pagina's