Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1966 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 262

3 minuten leestijd

218

L. VLIJM

heeft gehad. Deze directe afhankelijkheid is, dacht ik, in deze hele voorfase ontzettend belangrijk geweest. Waarschijnlijk moeten we juist hierin de sleutel zien tot het verstaan van het feit dat er zo lange tijd in de relatie van de mens tot zijn omgeving geen principiële veranderingen opgetreden zijn. De mortaliteit in deze populaties moet zeer hoog zijn geweest, in principe vergelijkbaar met de situatie zoals we die nu in het dierenrijk aantreffen, en die overigens, tot voor kort, ook heeft gegolden voor althans sommige mensenpopulaties in Afrika en Australië. Die mortaliteit overigens — we komen hierop nog terug — gaat altijd gepaard met processen van natuurlijke selectie, waardoor genen die een hogere voortplantingskans van bepaalde individuen bevorderen, geleidelijk binnen deze populaties in frequentie zijn toegenomen. Ik geef direct toe dat dit niet te bewijzen is (zie overigens in dit verband het artikel van Von Bock en Von Wahlert, waarop reeds eerder werd geduid) maar anders valt toch de situatie niet te benaderen. In dit verband kan het onderzoek aan natuurlijke populaties chimpansee's en gorilla's van belang zijn voor een beter begrip van de levensomstandigheden van de vroegste mensenpopulaties. Niet dat we hier met direct vergelijkbare situaties te maken hebben, doch ik ontkom niet aan de gedachte dat deze onderzoekingen voor het begrip van de mens van meer betekenis kunnen zijn, dan b.v. onderzoek aan wolfspinnen. Een nieuwe fase in het ontstaan van de huidige mens breekt aan in de periode van 8000-6000 v. Chr. Naar onze kennis dateren nl. uit deze periode zowel veeteelt als landbouw, en het is niet duidelijk of één van deze beide eerder ontstaan is, dan wel of zij in welke vorm dan ook gekoppeld zijn opgetreden.*) Het is dus eerst in de betrekkelijk recente tijd — een tijdperk meer vallend onder het onderzoek van archaeologen dan van palaeontologen — dat deze veranderingen optreden. Zij zijn vooral hierom van belang omdat de, naar wij aan moeten nemen geleidelijk reeds gegroeide, distantie van de mens tot de natuur plotseling groter werd. Want hier werd openbaar dat de mens oordelen kon, en wilde, over wel en wee van zijn omgeving. Hier ligt het moment waarop de keuze tussen dier en ondier, kruid en onkruid werd tot beheersen van de natuur. De vrijheid van de mens werd demonstratief. Hij ging in het geschapene scheppen. Stellingwerf brengt deze periode in direct verband met de eerste elf

*) Beiden zijn ontstaan in een gebied, waarvan het Tweestromenland ongeveer het centrum vormt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1966

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 368 Pagina's

1966 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 262

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1966

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 368 Pagina's