1966 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 195
MOLECUUL EN MAATSTOK
159
uiteinden [6, 7]. Dikwijls zijn deze structuren niet of nauwelijks zichtbaar, waardoor de draden geleidelijk in het niets lijken uit te lopen. Soms overheersen deze structuren zo sterk, dat geen vezels meer te vinden zijn [8]. Dit aanvankelijk raadselachtige verschijnsel is met de huidige kennis te verklaren als denaturering van de dubbelspiraal. De afzonderlijke ketens komen daarbij van elkaar los en krullen op. Hall en Doty [10] konden dit verschijnsel voorkomen door zodanige vluchtige buffers te kiezen, dat bij droging van een DNA-oplossing de zuurgraad niet te sterk veranderde. Pas hierdoor werd het mogelijk niet alleen de dikte der DNA-draden te schatten, doch ook de lengte te meten. Hiertoe kan men een microfoto vergroot projecteren, in de projectie de lengte meten, bijvoorbeeld met behulp van een flexibele draad, en uit de nauwkeurig bepaalde totale vergroting de werkelijke lengte afleiden. Uit het model van Watson en Crick kent men het moleculairgewicht per eenheid van lengte langs een DNA-molecuul, waardoor de lengtemeting kan dienen voor de bepaling van het moleculairgewicht. Hall en Doty [10] onderzochten of het zo gevonden moleculair gewicht vergelijkbaar is met de uitkomst van fysisch-chemische metingen. De overeenstemming bleek redelijk te zijn. Hoewel de elektronenmicroscopische methode meer werk vereiste, daar een groot aantal draden afzonderlijk moest worden gemeten, bood zij het voordeel, dat behalve het gemiddelde moleculairgewicht ook de moleculairgewichtsverdeling in een inhomogeen preparaat onmiddellijk uit het experiment volgde. Bij de besproken proeven werd het DNA vrijwel steeds op de drager gebracht door verstuiving van een oplossing tot kleine druppeltjes. Het bleek dat deze methode voor langere moleculen ongeschikt is, omdat het moleculairgewicht er door wordt verkleind. Het moleculairgewicht, dat met behulp van de beschikbare methoden voor DNA-preparaten, bereid uit verschillende organismen, werd gevonden, lag tot ongeveer 1960 steeds rond de zes miljoen. Hierdoor rees zelfs het vermoeden, dat dit een soort natuurlijke eenheidslengte was. Naderhand vond men echter dat grotere moleculen werden gebroken door de schuifkrachten, die in de oplossing optreden tijdens de zuivering, bijvoordeeld door roeren en pipetteren. Worden deze schuifkrachten vermeden, dan is het moleculairgewicht van het geïsoleerde DNA veel groter. Onderwerpt men de verkregen grote moleculen opzettelijk aan schuifkrachten, bijvoorbeeld door de oplossing door een nauwe cilindrlsche buis te drijven, zoals door Levin-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1966
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 368 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1966
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 368 Pagina's