Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1966 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 193

2 minuten leestijd

MOLECUUL EN MAATSTOK

157

gaat hiervan een sterke suggestieve kracht uit. Door de vergroting van de microscoop verandert de cel van een onvoorstelbaar klein brokje levende materie tot een structuur met afmetingen, die, althans in onze voorstellingswereld, kunnen concurreren met de direct zintuiglijk waarneembare dingen uit ons milieu. Het beeld is echter tot stand gekomen door middel van een reeks processen zoals fixering en kleuring, breking van het licht in het objectief, interferentie van het in de tubus komende licht, eventueel opzettelijk verstoord ten behoeve van het contrast. Het besef hiervan noopt achteraf tot een kritische herwaardering van de opgedane indruk. Ik wil nu wat dieper ingaan op de mogelijkheid, die ik zo even noemde, namelijk de meting van de fysische lengte van de structuren, die verantwoordelijk zijn voor de erfehjke eigenschappen van levende organismen. Deze mogelijkheid is in de laatste jaren sterk in de belangstelling gestegen tengevolge van een aantal fundamentele ontdekkingen. Door Avery en zijn medewerkers [1] werd in 1944 aangetoond, dat de stof, die bij Pneumococcus bacteriën de overdracht van erfelijke eigenschappen van de ene naar de andere stam bewerkt, desoxyribonucleïnezuur is, een verbinding, die ik in het vervolg naar algemeen gebruik DNA zal noemen. Vanaf dat tijdstip stapelden de argumenten zich op, dat in DNA erfelijke eigenschappen verankerd liggen. Zo vonden Hershey en Chase [2] in 1952, dat bij infectie van een bacterie met een bacterieel virus alleen het DNA uit het virus de bacterie binnendringt en dat de productie van nieuwe virusdeeltjes in de bacterie dus uitsluitend geschiedt op geleide van de in het DNA aanwezige gegevens. Experimenten en speculaties over de structuur van DNA culmineerden in 1953 in het bekende model van Watson en Crick [3], dat werd gesteund door de conclusies van Wilkins en zijn collega's [4] uit Röntgendiffractieproeven. In dit model wordt het DNA in aanwezigheid van minstens 30 % water voorgesteld als een spiraal van twee onderUng verbonden ketens. De diameter van de spiraal zou 20 A moeten bedragen. Deze vorm duidt men aan als de B-vorm. Bij preparaten van gerangschikte DNA-moleculen, waarin minder dan 30 % water aanwezig is, wordt een ander diffractiepatroon waargenomen, dat overeenstemt met de A-vorm, waarin de spiraal ongeveer 25 % in de lengterichting is gekrompen. De dikte van 20 A is in principe toegankelijk voor metingen met behulp van de elektronenmicroscoop, waarvan het scheidend vermogen kan worden opgevoerd tot ongeveer 5 A.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1966

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 368 Pagina's

1966 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 193

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1966

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 368 Pagina's