1966 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 261
DIER EN MENS
217
onbekend was en dat deze mensen dus rauwkost-eters waren, zowel van dierlijk als van plantaardig materiaal. Hoewel dus de kennis van het voedselpakket van deze wezens gering is, is zij voldoende om verschillen met latere populaties te laten zien. De mens, waarschijnlijk in kleine populaties levend, was een verzamelaar van eetbare dingen uit zijn omgeving. Hij ging in dat verzamelen ongespecialiseerd te werk en waarschijnlijk besteedde hij er een groot gedeelte van zijn leven aan. De omgeving was voor hem van direct belang. Hij was van de levensgemeenschappen afhankelijk en nam in die gemeenschappen zijn eigen plaats in. Als al op een bepaald moment de grootte van zijn populatie toenam, zullen hier vanuit de omgeving correcties op hebben plaats gehad: honger, pest en oorlog, de trits die wij in alle profetenboeken als de 3 plagen van de mensheid aantreffen, en die tot in de huidige tijd doorwerken. Maar laten wij, voordat we hierop nader ingaan, zien wat bekend is van andere mens-groepen. Wanneer we de gegevens betreffende Pithecanthropus en Sinanthropus en die van de Neandertaler overzien, blijken duidelijke verschillen. Niet alleen is voor deze groepen het gebruik van vuur aangetoond, wat vooral voor de toegankelijkheid van het voedsel van grote waarde was, maar tevens blijkt uit de resten van prooidieren dat de jacht bij deze groepen een veel belangrijker rol speelde. Resten van grote dieren (afhankelijk van de woonplaats uiteraard bestaande uit andere soorten) als neushoorn, giraffe, baviaan en nijlpaard b.v. in de Oost-Afrikaanse vindplaatsen, zijn aangetroffen. Ditzelfde beeld geldt eigenlijk voor de hele, lange, voorfase van de huidige mensheid. Alhoewel plantaardige kost ongetwijfeld niet uit het menu verdwenen was, lijkt dierlijk voedsel nu toch de hoofdmoot te vormen. Men veronderstelt, dat deze jagende leefwijze, die ongetwijfeld in groepsverband heeft plaats gehad, het toenemen van de intercommunicatie heeft bevorderd. De basis van dit groepsgedrag (maar wie zal zeggen of de mens primair als groeps-wezen dan wel als individu existeert?) lijkt in deze fase, zo niet tot stand gekomen, dan toch de evolutie van het brein ten goede te zijn gekomen. Ook hier zullen de populaties van de mens klein zijn geweest, zodat zijn onspecifiek jagen (want kennelijk pakte hij zeer verschillende dieren, zoals dat overigens voor de meeste carnivoren geldt) geen uitroeiing van de diersoorten waarvan hij leefde tengevolge
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1966
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 368 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1966
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 368 Pagina's