1966 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 154
122
K. SPOELSTRA
en de mens wezenlijk cultuurvormend is, dan moeten ook zijn onopzettelijke transformerende activiteiten als cultuurvormend worden beschouwd. De beneden-menselijke werkelijkheid roept om de mens. Ze is intentioneel op de mens betrokken. En de mens is van zijn kant intentioneel op de werkelijkheid ingesteld. Er is dus een wederkerige intentionaliteit. De beneden-menselijke werkelijkheid wril vermenselijkt worden. Ze wil in het leven van een mens opgenomen worden, en zo op hoger plan worden gebracht. Er is in de werkelijkheid een streven naar hoger bestaan. De wijsbegeerte heeft voor dat intentionele karakter der werkelijkheid verschillende namen. Plato en Aristoteles spraken van een „orexis", een „hormè" der dingen. Hobbes gebruikte de term „conatus", Leibnitz het woord „appetitus", Samuel Alexander spreekt van een „nisus", Schopenhauer van „Wille", Haberlin van „Triebe", en anderen drukken zich nog weer anders uit om een ingeschapen streven van de werkelijkheid aan te duiden. Als een zvdjgende bede richt het verlangen van de werkelijkheid zich tot de mens, om gekend en genoemd, om bearbeid en gebruikt te worden, om uit de duisternis tot het licht te worden gebeurd, en uit haar beslotenheid tot vrijheid te worden verlost. Het is het natuurlijke verlossingsverlangen der beneden-menselijke werkelijkheid, dat om een liefdevolle verhoring vraagt. Dr. A. H. de Hartog sprak van „de grasspriet, die verheerlijkt wordt in de gazellesprong". En dit is de zonde, vooral van de westerse mens, dat uit zijn cultuurarbeid de liefde weggestorven is. Het is hem erom te doen „er uit te halen, wat er in zit", om zichzelf te verrijken. Het is een uitbuiting der natuur geworden, om zelf te kunnen genieten. En uit die uitbuiting der natuur vloeit vanzelf voort de uitbuiting van de mens, die als knecht voor de rijkdom en het genot van zijn heer moet zorgen. Inderdaad is het zo, dat de akker moet worden gescheurd, om het zaad te ontvangen. De vrucht moet worden geplukt en gegeten, ze moet sterven, om in het leven van de mens te worden opgenomen. Maar dit is ondergang tot opgang. Het is dood tot opstanding. In het Maandblad voor het Middelbaar en Gymnasiaal onderwijs werd voor enkele jaren door de heer H. Heidinga op m.i. zeer juiste wijze over deze materie gehandeld (oktobernummer 1962). Nic. Berdjajew heeft in zijn boek „Von der Bestimmung des Menschen" (1935) het pleit gevoerd voor een kosmische ethiek. „DieLiebe zu jeder Kreatur, zu den Tieren, Pflanzen, Mineralen, zur Erde und
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1966
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 368 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1966
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 368 Pagina's