Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1966 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 356

2 minuten leestijd

300

J. LEVER

verkregen. Er zijn verschillende vergunningen voor experimenten met paarden, met honden en katten, en met andere gewervelde dieren. Tevens bestaat een inspectie-systeem. Op alle details hiervan en op de nadere differentiatie voorgesteld in het zg. „Littlewood-rapport" van 1965 wordt hier niet ingegaan daar wij ons tot de kernvraag beperken. Wel moet nog worden opgemerkt dat sommige voorstanders van een dergelijke regeling aanvoeren dat hieraan behoefte bestaat alleen reeds door het sterk gestegen aantal proefdieren dat wordt gebruikt, suggererend dat dit deels onnodig zou zijn. Dit argument vervalt echter, wanneer men, zoals in het laatstgenoemd rapport ook wordt uitgesproken, inziet dat dit het gevolg is van de in de laatste decenniën sterk toegenomen activiteien op het gebied van de medische wetenschappen en de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen, waarvan wij de gunstige effecten dagelijks ondervinden. De kernvraag is immers of een dergelijk regulerend overheidssysteem wenselijk en noodzakelijk is gezien de deskundigheid van de onderzoekers in ons land en de kwaliteit van de zorg die aan de proefdieren wordt besteed. Op deze vraag kan voor ons land onder de huidige omstandigheden zonder meer geantwoord worden dat een dergelijke regeling overbodig is. De enorme toeneming en verdieping van het experimenteel biologisch onderzoek over de gehele wereld en de hoge kosten die zij meebrengen hebben in toenemende mate het zelf-regulerend effect gehad dat slechts voortreffelijk opgezet onderzoek wetenschappelijke waarde heeft. Iets dergelijks geldt ten aanzien van de zorg die aan de proefdieren wordt besteed. De sterk toegenomen kennis van de voedingsbehoeften der dieren en het inzicht dat slechts proeven met dieren die zich in optimale conditie bevinden een betrouwbaar wetenschappelijk resultaat opleveren, hebben mede tot gevolg gehad dat de experimentator de eerste zal zijn die de noodzaak van een goede verzorging zal onderstrepen. Mocht dan ook mogelijk een wettelijke regeling van het dier-onderzoek in de slecht-geoutilleerde laboratoria van vijftig jaren geleden, toen men daarmee pas was begonnen, zin hebben gehad, momenteel is zo'n regeling overbodig. Daar komt nog bij dat een systeem van vergunningen en inspecties, met alle administratie daaraan verbonden, niet alleen kostbaar zou zijn, maar zeker ook de ontwildceling van het onderzoek zou belemmeren. Voorts bedenke men dat de grenzen die bv. in Engeland of in kringen die een dergelijke regeling voorstaan worden aangegeven

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1966

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 368 Pagina's

1966 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 356

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1966

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 368 Pagina's