1966 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 260
216
L. VLIJM
nodig. Wordt het hypervolume van de gerealiseerde niche van een diersoort te klein, dan sterft hij uit. De voor zijn leven noodzakelijke variabelen treden dan in de omgeving niet meer voldoende op. Anderzijds: de niche van een dier is wel bepaald, maar is tevens aan verandering onderhevig. Wanneer het traject van bepaalde variabelen langzaam verandert, kan een soort, immers een dynamische grootheid, zich aan deze verandering aanpassen. Het zou verleidelijk zijn hierop verder in te gaan, doch dit zou, in verband met ons onderwerp, teveel tijd kosten (Bock en Von Wahlert). Bij het aangeven van de relaties tussen dieren en hun omgeving hebben wij het begrip niche als leiddraad genomen. Wanneer wij ons nu af willen vragen hoe de relaties tussen de mens en zijn omgeving onder woorden kunnen worden gebracht, zouden wij dat kunnen doen aan de hand van de vraag: Welke is de niche van de mens? Anders gezegd: Welke is de functie van de mens binnen het geheel van een levensgemeenschap. Bij de benadering van deze vraag, uiteraard niet zo eenvoudig te beantwoorden, zou ik, in verband met de situatie in het heden, eerst de vraag willen stellen naar deze niche in het verleden. Die niche van de mens van die tijd zullen wij moeten beoordelen op grond van gegevens. De gegevens die wij hebben omtrent de leefwijze van de mens zijn van tweeërlei aard. Indirect kunnen wij iets over de leefwijze zeggen door de fossiele mens zelf, anderzijds bestaan er ook resten van het voedsel van de mens, die direct conclusies betreffende zijn leefwijze mogelijk maken. Wij gaan daarbij aan de vraag naar de oorsprong voorbij, omdat die in dit verband niet relevant is. Het eerste, wat we kunnen zeggen, is dat het waarschijnlijk is, dat de mens aanvankelijk vooral een herbivoor was. Dit valt te concluderen uit de bouw van het gebit. Daarnaast bestaan directe gegevens over het voedsel, uit het onderzoek van Leakey in de Olduvai-kloof in Oost-Afrika, waar namelijk, in de nabijheid van de fossielen van de vroeg-Pleistocene mens, die hier heeft geleefd (waarschijnlijk een vertegenwoordiger van de Australopithecinae), resten van prooidieren werden aangetroffen. Dit bleken resten te zijn van kleine dieren: muizen, ratten, hagedissen, vogels, en van pnge dieren: jonge varkens en antilopen. Men kan hieruit concluderen dat de populaties van deze mensen o.a. van de jacht leefden, maar dat zij slechts in staat waren kleine dieren te bemachtigen. Men neemt algemeen aan dat gebruik van vuur nog
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1966
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 368 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1966
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 368 Pagina's