1966 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 293
BEVOLKINGSDRUK ALS NATIONAAL VRAAGSTUK
245
van het sterftecijfer werd pas omstreeks 1890 gesecondeerd door een veel geringere en ook in de volgende decennia geringer blijvende daling van het geboortecijfer. Door die geringere daling van het geboortecijfer werd de discrepantie tussen het sterfte- en geboortecijfer ondanks verminderde nataliteit steeds groter en verliep de bevolkingsgroei steeds sneller en sneller (zie fig. 1 met daarin verklarende tekst en fig. 2, waarin zich de toeneming van de sterfte in 1918 door de Spaanse griep — trof vooral volwassenen —, de toeneming van de sterfte in de tweede wereldoorlog door de slechte algemene en voedingsomstandigheden — trof vooral de zuigelingen — de toeneming van de geboorten na de tweede wereldoorlog en de groter wordende en nog steeds groot zijnde discrepantie tussen geboorte- en sterftecijfer zeer duidelijk markeren). Pas in de beide laatste decennia daalt het sterftecijfer niet meer of liever gezegd het vertoont sinds 1952 een geringe stijging (zie nogmaals fig. 2); verwacht mag worden, dat in verband met het verouderd zijn van de bevolking of anders gezegd vergelijkend demografisch gezien in verband met de sterke toeneming van het aantal mensen met uitgesteld sterven dit sterftecijfer in de toekomst nog belangrijk zal toenemen. Hoe sterk die toeneming van het sterftecijfer zal zijn, hangt bij een zich niet meer wijzigend sterftepatroon in de verschillende leeftijdsgroepen en bij een niet van grote invloed zijnde im- of emigratie uitsluitend af van de nataliteit. Dat sterftepatroon zal zich welhaast niet meer fundamenteel kunnen wijzigen (zie fig. 3); de zuigelingensterfte is reeds minimaal, de sterfte vóór het 65ste levensjaar en ouder is demografisch gezien praktisch te verwaarlozen; een nog belangrijk stijgen van de gemiddelde leeftijd door betere algemene, sociaal-hygiënische en medisch-hygiënische omstandigheden is onwaarschijnlijk); een belangrijk im- of emigratieoverwicht en een belangrijke invloed daarvan op het sterftecijfer mag men, gezien de heden ten dage bestaande tendenties evenmin verwachten (zie tabellen 2 en 3, waaruit blijkt dat het migratieverlies van 1945 t/m 1959 en de migratievnnst van 1960 t/m 1964 vrij gering waren. Toch mag men vooral het sinds enkele jaren bestaande positieve migratiesaldo zeker niet verwaarlozen; men bedenke, dat het positieve migratiesaldo de bevolkingstoeneming in de laatste vijf jaren zelf reeds jaarlijks 0,042 X ca 1,3 = 0,05 doet zijn
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1966
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 368 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1966
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 368 Pagina's