1967 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 158
120
S. J. RIDDERBOS
of sociaal verworven heeft. Terwijl bij de romantiek de ontwikkeling loopt van de mythe over de historie naar de natuur keert Freud de zaak juist om en stelt hij de homo natura aan het begin, die dan via een historische ontwikkeling komt tot de mythe en de religie. Aldus wordt de mens een door zijn driften beheerste machine, maar aan de andere kant moet hij zich van deze distanciëren en altijd weer proberen tot de vrijheid (volgens Freud tot de „natuur" van zijn wezen) te komen. Dit laatste komt bij Freud slechts zeer ten dele ter sprake en in zijn latere jaren wanhoopte hij aan deze vrijheid. Het is volgens Binswanger Freuds tragiek, dat hij de wezenlijke spanning tussen homo natura en existentie niet doorzag. Binswanger zelf spreekt bij de mens van de tegenstelling tussen natuur en historiciteit, maar terwijl Freud deze historiciteit in menig opzicht als een verderf van de natuur ziet, weet geen van beiden te verklaren waar dit verderf vandaan komt. Het is de toenemende tragiek van Freud, dat het hem niet gelukt lijden, dood en kwaad een duidelijke plaats in zijn systeem te geven. Hij is dan ook een typische overgangsfiguur: een deel van zijn werk is nog op de natuuropvattingen van de 18e eeuw gegrond, maar bij het zoeken naar het natuurlijke bij zijn patiënten stoot hij op vragen, die uitgaan boven het struktuuranthropologische raam. In de latere psychologie en de freudiaanse psychoanalyse komen deze vragen nauwelijks meer ter sprake. Momenteel spreekt men in de psychologie liever niet meer in abstrakto over de natuur, omdat dit begrip (evenals dat van de homo natura) een construktie is. De criteria voor natuur en natuurlijkheid zijn ons voor het grootste deel ontvallen. Dit blijkt reeds hieruit, dat men in de loop der jaren verschillende betekenissen van het woord natuur in de psychologie ziet opduiken. Men heeft er in de eerste plaats onder verstaan datgene in de mens, wat biologisch verankerd is, overerft en zich zonder menselijk ingrijpen op een bepaalde wijze ontvouwt. Een tweede natuuropvatting draagt een duidelijk deterministisch karakter (Freud), terwijl een derde meer sociologisch geaard is, omdat hierbij aan de maatschappij een bepaalde of beslissende betekenis wordt toegekend. Dan is er ook nog een vierde gedachte (Ruygers), die met natuur bedoelt datgene, wat de mens als psychologische werkelijkheid, en door idealen en aspiraties geleid, opbouwt in vrije bewerking of tenminste acceptatie van wat biologisch en sociologisch tot zijn beschikking staat. De ontwikkeling van de mens tendeert tot een zeker determinisme, maar deze ontwikkeling mag toch geen beslissende
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1967
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1967
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 294 Pagina's