Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1967 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 261

2 minuten leestijd

L. VLIJM

211

zijn. Een bepaalde hoeveelheid energie wordt verbruikt. Het is duidelijk, dat de hoeveelheid in de planten gevangen energie jaar voor jaar verschilt. Het is alleen al, en dan werkelijk in een economisch vlak, door veehouders in de grasopbrenst per jaar te meten. Maar daarbij moet dadelijk worden opgemerkt dat, bezien vanuit de economie, in feite planten slechts weinig van de beschikbare energie benutten, n.l. afhankelijk van plaats en tijd maximaal 2-5 % van de binnenstralende energie. Volgens Hairston c.s. hangt dit samen met het feit dat andere requisieten dan de energie beperkende factoren gaan vormen. Deze redenering lijkt aannemelijk. Men kan echter de vraag opwerpen of, uitgaande van de economische waardering van levensgemeenschappen een functionele indeling in herbivoren, carnivoren en afbrekers juist is, en zin heeft. In alle besproken publicaties immers wordt van de geldigheid van deze functionele indeling uitgegaan. Daarbij willen we de vraag toespitsen op de zin van deze indeling in verband met wat gezegd werd over aantalsbeperkingen in de verschillende trophische niveaus. Men kan zeggen, dat tot nog toe eigenlijk alleen eenvoudige, meestal zelfs zeer eenvoudige levensgemeenschappen onderzocht zijn. De meeste oecologen zoeken koortsachtig naar een eenvoudige situatie, om niet in te grote moeilijkheden te verzeilen. Men zal méér publicaties tegenkomen over de levensgemeenschappen van arctische gebieden, dan van die van oerwouden. En als men van meer ingewikkeld gestructureerde levensgemeenschappen een beschrijving aantreft, gaat het meestal om een bepaalde groep van organismen, b.v. de vogels, of de bodemfauna. Nu zou men wellicht met Slobodkin kunnen meevoelen, wanneer hij zegt, dat het niet noodzakelijk is om de aantallen van alle dieren uit een levensgemeenschap te beschouwen, omdat de in energieverbruik dominante soorten bepalend zijn voor die levensgemeenschap. Dat is echter m.i. een gevaarlijke gedachte: immers de dieren die in geringe aantallen optreden worden dan tot een soort van ornament in de levensgemeenschap verklaard (zouden sommigen hier niet even aan de mensenmaatschappij denken? Een analogieredenering, die slechts als ornament bedoeld is). De vraag is of dat juist is. Want wanneer men „eenvoudige" levensgemeenschappen vergelijkt met meer ,,ingewikkelde" blijkt dit juist samen te gaan met een vermindering van de aantallen per soort en een vermeerdering van het aantal soorten. Hierin ligt, naar onze menin<ï, een van de belangrijkste momenten in het denken over ,,natuurlijk evenwicht". Daarom geloven wij het ook radicaal oneens te zijn met de mening

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1967

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 294 Pagina's

1967 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 261

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1967

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 294 Pagina's