1967 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 160
122
S. J. RIDDERBOS
men veel minder dan vroeger bepaalde geïsoleerde eenheden meent te kennen en dat men beducht is allerlei categorieën te snel vast te leggen. De natuur van de mens laat zich niet in vaste strukturele categorieën omschrijven. De mens leeft in een voortdurende spanning tussen zijn en worden, tussen verstarring en ontwikkeling. Gelijk gezegd was een artikel van G. A. Lindeboom de aanleiding voor het betoog van Janse de Jonge, dat we zojuist releveerden. Waarschijnlijk lag deze aanleiding echter meer in de titel („Contra naturam") dan in de inhoud van Lindebooms verhandeling, omdat de schrijver verder niet op het natuurbegrip ingaat en het er bij laat te spreken van een „natuurorde", waartegen de „gelijkslachtige liefde indruist". In het geschrift „De homosexuele naaste", waartegen Lindeboom zich richt, werd ik in mijn bijdrage „Bijbel en homosexualiteit" met het probleem „contra naturam" geconfronteerd naar aanleiding van Paulus' uitspraak in Romeinen 1, dat bepaalde mensen „de natuurlijke omgang vervangen door de tegennatuurlijke". Paulus spreekt hier van para physin, woorden die in de latijnse vertaling van „contra naturam" meer bekendheid genieten en zo de eeuwen zijn ingegaan. Hij was daarin echter niet de eerste, want reeds Plato had letterlijk zo gesproken. Door mij is in de genoemde bijdrage betoogd, dat we bij Paulus' spreken over „natuur" allereerst aan de natuur van de gevallen mens moeten denken, maar ook tegelijk aan de oorspronkelijke scheppingsorde, omdat deze volgens Paulus' mensbeeld ook nog in de gevallen mens is terug te vinden. Het is daarom onjuist, wanneer prof. J. van den Berg (in Geref. theol. tijdschr., aug. '64) hiertegenover stelt, dat Paulus „de gedachte doet meespelen aan de natuur van de mens, zoals God de Schepper haar gewild heeft". Inderdaad speelt deze gedachte bij Paulus mee, zoals door mij echter niet alleen werd bedoeld maar ook uitdrukkelijk gezegd. Volgens mijn mening in „De homosexuele naaste" heeft Paulus dan met deze „natuur" kennelijk op de lichamelijke geslachtsorganen gedoeld, die voor intersexueel verkeer bestemd zijn. De moeilijkheid ontstaat echter, wanneer bij bepaalde mensen deze lichamelijkheid niet correspondeert met hun psychische struktuur. Met deze probleemstelling vervallen we o.i. niet in een verwerpelijk primitief dualisme van lichaam en ziel, zoals het verwijt van K. J. Popma luidt (Levensbeschouwing VI, p. 166vv). Naar mijn mening is het alleen maar een beschrijving van feiten, als men stelt dat de verlangens van homo-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1967
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1967
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 294 Pagina's