Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1967 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 216

2 minuten leestijd

C. J. DIPPEL

170

regeert en hij niet zou weten, dat Paulus reeds gewaarschuwd heeft tegen het vervangen van de „onvergelijkelijke God door hetgeen gelijkt op het beeld van een vergankelijk mens" (Rom. 1 : 23). De theologie was voor een groot deel natuurlijke theologie geworden. De moderne ontwikkeling van de NW heeft, als bijprodukt, de natuurlijke theologie uitgehold en de grond onder de voeten weggegraven. In plaats van dat moderne theologen hun fout inzien en letten op die theologen, die in navolging van de joodse profeten de natuurlijke theologie hebben gemeden, grijpt men naar de gemakkelijkste oplossing: „God is dood" en vervangt de natuurlijke theologie door een niet-begrepen NW. Men schrapt God op grond van de argumentatie, dat wat niemand zich kan voorstellen, geen betekenis heeft voor de werkelijkheid. Men verstaat niet, dat een van de grootste successen van de fysische werkelijkheidsbeschrijving, de quantummechanica, juist leert, dat de natuuronderzoeker zich ook niets meer kan voorstellen en dat hij desalniettemin ervaart en bewijst, dat onvoorstelbaarheid niet betekent onverstaanbaarheid. De moderne fysicus kan als het ware pianospelen zonder de piano te kennen anders dan in tekenen en symbolen. Ook de fysicus staat, als hij zich bezint, voor de onpeilbaarheid van de eenheid van structuur en symbool, materiële gestalte en menselijke geest, „lichamelijkheid" en Woord. Tegenover dit wanbegrip in onze huidige cultuur t.a.v. de NW, mag de christen-natuuronderzoeker zich niet bergen in de nalatigheid en zorgeloosheid van de vakman, maar heeft hij een duidelijk culturele opdracht. II 5. [•

De openbaring van de volheid van Gods werkelijkheid als „gegeven".

Christen-natuuronderzoekers mogen zich bewust zijn, dat zij niet alleen dank zij hun methode spreken van een methodisch bepaalde werkelijkheidsbeschrijving, maar het recht om te spreken van een gereduceerde beschrijving allereerst ontlenen aan het ons overweldigende geloof, dat wij een Woord van de Schepper en Voleinder onzer werkelijkheid mogen horen, die woont in een ontoegankelijk ' Licht, van waaruit Hij ónze ruimte en tijd, ons leven en onze dingen draagt en richt. Daardoor is ons gegeven te geloven in een Werkzame Werkelijkheid, die dimensioneel op ongekende wijze onze zichtbare WerkeHjkheid overtreft en doorzeeft, een volheid, die ónze werkelijk-

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1967

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 294 Pagina's

1967 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 216

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1967

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 294 Pagina's