1967 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 254
204
DE NATUUR IN EVENWICHT
water, met behulp van zonne-energie suikers d.i. organische stoffen produceren. Van deze aanmaak van stoffen zijn alle overige, voornamelijk dierlijke, organismen afhankelijk. Het spreken over „producenten" is natuurlijk nogal een generalisatie: mossen en varens, en zelfs eencelligen worden samengenomen met bomen, omdat zij aan het criterium van de producent voldoen. Op deze producenten, die men als een soort basis-industrie kan opvatten, rust dan de industrie der herbivoren, de dieren die direct van planten leven. Ook hier geldt dezelfde generalisatie, n.l. dat een bladetende rups in één groep met b.v. een olifant optreedt, omdat ze beiden direct van planten leven. Daarop volgt dan de laag van de carnivore dieren, eventueel onderverdeeld in verschillende lagen boven elkaar, aangezien nu eenmaal carnivoren ook elkaar wel eten. Ik behoef niet duidelijk te maken dat ook hier eenzelfde generalisatie gesignaleerd kan worden. Tenslotte is er dan nog een rest-groep (niet zo genoemd, omdat hij onbelangrijk is), waarvan men zou kunnen zeggen, dat hij bestaat uit organismen die de afbraak van dode organische stof, zoals die b.v. gevonden wordt in gevallen blad, dode dieren, faecaliën van dieren, verzorgen. Daarmee hebben wij dan een eenvoudig, handzaam beeld van een levensgemeenschap voor ons, dat in feite niet zozeer een oecologisch, als wel een economisch beeld geeft van de wijze waarop de zonneenergie, door levende organismen gekanaliseerd, diezelfde levende organismen in de vorm van levensgemeenschappen in stand houdt. Dit beeld nu, waarop wij nog nader in willen gaan, is door Hairston c.s. aangevuld. Zij hebben getracht het beeld te nuanceren, door namelijk verband te leggen tussen de constantie van de levensgemeenschap als totaal en de constantie van de zojuist besproken functionele groepen. Wij kunnen hun redenering niet in details volgen, en zullen dus volstaan met het geven van enkele hoofdlijnen uit hun gedachtengang. Er hopen zich, zo zeggen zij, op aarde, in levensgemeenschappen, geen afbraakstoffen op. Evenveel blad als er per jaar valt, wordt afgebroken. Ook verandert de aarde niet langzamerhand in een geweldige mesthoop, omdat faecahën even hard worden afgebroken als ze geproduceerd worden. Zij concluderen uit deze waarneming (waarop zij wel enkele uitzonderingen zien, met name in levensgemeenschappen in ontwikkeling, die nog geen eindstadium hebben bereikt, zoals
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1967
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1967
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 294 Pagina's