Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1967 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 255

2 minuten leestijd

L. VLIJM

205

venen en vijvers, waarbij echter de ophoping van stoffen dit bepaalde stadium van ontwikkeling versnelt in de richting van een eindstadium) een relatie tussen de afbrekende organismen en hun gebruiksbronnen en stellen dat de hoeveelheid afbraakstoffen (voedsel) het aantal van deze organismen bepaalt. Bij te weinig voedsel, zal een aantal dieren omkomen, tot de overigen genoeg hebben, bij een teveel zal het aantal toenemen tot al het voedsel verbruikt wordt. Vervolgens gaan zij uit van 3 waarnemingen die in onderling verband met elkaar staan, en vooral gelden voor terrestrische levensgemeenschappen. Allereerst is duidelijk dat men maar weinig vindt dat alle groene planten tot de wortel door herbivoren worden geconsumeerd. Bovendien treft men slechts zelden massale vernietiging van planten o.i.v. meteorologische catastrofen aan. Hieruit concluderen zij, dat producenten (planten) noch door herbivoren, noch door catastrofen worden beperkt in hun aantal. Bij gevolg stellen zij dat dan de dingen die planten nodig hebben om te groeien, zoals licht, water, mineralen, hun aantal beperkt. Als derde, nog steeds gekoppelde, overweging merken zij op dat het feit, dat slechts zelden het plantendek door herbivoren wordt vernietigd — en dan steeds wanneer er door omstandigheden, b.v. door ingrijpen van de mens, te veel herbivoren zijn— tot de conclusie voert dat herbivoren niet in aantal beperkt worden door het aanwezige voedsel, te weten de planten. Zij maken vervolgens aannemelijk, dat niet het klimaat de aantallen herbivore dieren bepaalt, en concluderen daaruit dat het predatie is door carnivore dieren (inclusief parasieten), die bij de aantalsregulatie van herbivoren vooral van belang is. Dit kan weliswaar niet bewezen worden, maar het is het meest aannemelijk. Dit heeft dan tevens gevolgen voor de positie van de carnivoren. Aangezien deze enerzijds het aantal prooidieren, herbivoren dus, binnen zekere perken houden, moeten zij anderzijds als groep in aantal beperkt worden door het aantal herbivoren waarvan zij leven, m.a.w. bij carnivoren bepaalt weer het aanwezige voedsel het aantal. Tegen deze publicatie nu is bij enkele auteurs verzet gerezen. Allereerst heeft Murdoch (1966) erop gereageerd. Op zijn critiek (we komen daar direct nog nader op terug) antwoorden merkwaardigerwijze slechts twee van de oorspronkelijke auteurs n.l. Hairston en Smith. Slobodkin doet niet mee. Hun zeer korte antwoord houdt een merkwaardig zinnetje in: „Readers who found the original paper convincing will find it easy to refute Dr. Murdoch's assertions for themselves; those who disagreed with us initially will doubtless

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1967

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 294 Pagina's

1967 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 255

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1967

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 294 Pagina's