1967 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 262
212
DE NATUUR IN EVENWICHT
van Slobodkin c.s. dat taakovername van de ene soort door anderen niet van belang zou zijn. Hierom kan, dunkt ons, juist het door Elton opgezette onderzoek van levensgemeenschappen nabij Oxford zo van belang zijn, om over de „binnenkant" van het functioneren van een levensgemeenschap in de loop der jaren, nadere gegevens te verschaffen. Zijn basisindustrieën in levensgemeenschappen wel jaar voor jaar op dezelfde wijze gestructureerd? Is niet het feit dat Hairston naar grote zoogdieren kijkt en Slobodkin vooral in het laboratorium werkt reden, dat zij deze basisindustrieën als te gefixeerd beschouwen? Wij constateren hierbij dan tevens dat juist in eenvoudig gestructureerde natuurlijke levensgemeenschappen als b.v. het arctische gebied, veelal van evenwicht per jaar in de zin van Slobodkin geen sprake is, en ook niet van regulatie van aantallen per jaar. Men moet daar over langere termijn kijken. Maar wij willen over de functionele indeling in voedingsniveaus nog een enkele opmerking meer maken, n.l. dat uiteindelijk van het voedselgebruik van sommige carnivoren heel wat bekend is, dat dit voor herbivoren al minder wordt, maar dat van het voedselgebruik van de zgn. afbrekers slechts zeer weinig bekend is. Generalisaties in dit vlak zijn praematuur. Een volgende opmerking, in relatie met de vorige, is dat het merkwaardig is dat bij de problematiek van „het natuurlijk evenwicht" juist verband wordt gelegd met de regulatie van aantallen. Op zichzelf is een ,,aantal" meetbaar, en dus tevens een maat. Maar is het de enige maat? Hoeveel, met name lagere dieren variëren niet in grootte. Waarom is deze maat minder waard dan de maat van het aantal? Heeft er niet in de loop van de periode waarin de aantals-regulatie in het centrum van de belangstelling heeft gestaan een bewustzijnsvernauwing plaats gehad, waardoor andere maten zowel met betrekking tot populaties als tot voedselniveaus in het vergeetboek zijn geraakt? En tenslotte — 't bloed kruipt waar het niet gaan kan: ik ben daar nu eenmaal in geïnteresseerd — is in de gehele behandeling van de problematiek van herbivoren, carnivoren, zowel als afbrekers niet te weinig rekening gehouden met de mobiliteif van deze organismen? Vele van deze terrestrische dieren zijn immers in staat om te gaan van plaatsen waar het niet goed is — om welke reden dan ook: voedsel, ruimte, predatoren — naar plaatsen waar het mogelijk beter is. Men zou, wanneer men de groep van de herbivoren verdeelt in plaatstrouwen en lopers, alleen reeds een veel genuanceerder beeld ontwerpen kunnen dan in de besproken publicaties het geval is. Daarbij
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1967
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1967
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 294 Pagina's