1967 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 256
206
DE NATUUR IN EVENWICHT
continue to disagree, regardless of any arguments that we might present". M.a.w. laten we maar ophouden, want het heeft toch geen zin verder te praten. Vervolgens vinden we een tweede critisch stuk n.l. van Ehrlich en Birch (1967), dat wat scherper geformuleerd is dan dat van Murdoch en ook wat uitgebreider is. Daarop komt dan een antwoordartikel van Hairston, Smith en Slobodkin, doch kennelijk in dit geval vooral geschreven door Slobodkin (die het antwoord-zinnetje aan Murdoch niet mede-ondertekend had), gezien het feit dat Slobodkin's naam thans voorop staat. Men kan wellicht op basis van wat ik mededeelde, vermoeden dat bij deze wetenschappelijke discussie ook persoonlijke, subjectieve zaken een rol spelen, 't Zijn mensen die wetenschap bedrijven! Maar keren wij terug tot de kritiek van Murdoch enerzijds, Ehrlich en Birch anderzijds. De critiek van Murdoch wordt door Ehrlich en Birch overgenomen en tevens uitgebreid. Het voert ons te ver hier volledig te zijn, en daarom dienen wij ons te beperken tot enkele, naar ons gevoel, saillante punten. Murdoch, zowel als Ehrlich en Birch behandelen de stof op basis van dezelfde functionele onderscheidingen binnen levensgemeenschappen, als waarvan Hairston c.s. uitgingen (producenten, herbivoren, carnivoren en „afbrekers"). Zij spreken echter vooral critisch over de kwestie of er een juist beeld is gegeven van de regulatie der aantallen binnen deze groepen. Murdoch's critiek behelst verschillende punten, waarvan wij er een paar nader onder de ogen willen zien. Hij meent dat het geschetste, generale beeld onjuist is, niet zozeer omdat de conclusies onjuist zijn, maar omdat de waarnemingen (de aarde is geen mesthoop, de aarde is groen e.d.), wanneer ze met elkaar in logisch verband worden gesteld, niet noodzakelijkerwijze juist deze conclusies behoeven op te leveren. Men kan volgens Murdoch bij deze deductieve redenering zich afvragen: zijn de uitgangspunten juist, zijn de logische verbanden daartussen op de juiste wijze gelegd, en tenslotte zijn de conclusies, methodologisch bezien, van waarde? In dit kader vraagt hij zich b.v. af ter zake van de relatie tussen planten en herbivoren: de aarde kan wel groen zijn, bedekt met planten, maar dit behoeft niet te betekenen dat de aantallen herbivoren niet door de aanwezige hoeveelheid voedsel zouden worden bepaald, immers planten kunnen wel groen, maar toch tegelijkertijd oneetbaar zijn. Bovendien kan de hoeveelheid planten wel beperkend werken,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1967
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1967
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 294 Pagina's