1967 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 277
L. VLIJM
223
Het is duidelijk dat de term „survival of the fittest" ook bij Darwin uitgelegd kan worden in de richting van onze huidige kennis. Doch anderzijds geldt dat de inklevende typologische beschouwingswijze, waarbij het accent op de mortaliteit in plaats van op de bijdrage aan het nageslacht ligt, het gewenst maakt deze term niet meer te gebruiken. Niet alleen Mayr staat op dit standpunt; men kan het b.v. ook aantreffen bij Sir Gavin de Beer (Charles Darwin, 1963, blz. 179) die schrijft: „At best, it („Survival of the fittest") is little more than tautological if fitness is a condition for survival; at worst, the use of the superlative implies more than is intended. It lays too much stress on survival, when what is really meant is the favouring of those parents that are most proliferous". Toch missen we in dit laatste citaat een aspect dat Mayr wel aanbrengt (op zichzelf houdt dit geen verwijt aan het adres van Sir Gravin de Beer in, die niet speciaal op het betreffende onderwerp ingaat). Ik bedoel hier Mayr's zinsnede: „However, this fitness is determined (statistically) by their genetic condition". Het gaat om grotere „overlevings-fcorw". Immers: belangrijk is slechts de genetische samenstelling binnen een populatie. Eén individu met een bepaald genencomplex is niet van belang. Maar wanneer men zich voorstelt (een zwart-wit-schema is niet juist, maar maakt de zaak wellicht duidelijker) dat 50 % van een populatie een bepaald genen-complex bezit, de rest een ander, en dat onder invloed van milieu-omstandigheden van de eerste groep over een bepaalde periode 90 % zou overleven, van de tweede 20 %, dan heeft men een situatie waarin een verschuiving van de genen-frequentie binnen een populatie plaats heeft. Er zijn ook in de tweede groep „fittest", die „survive", maar hun aantal is geringer en daardoor hun inbreng in de volgende generatie. Dit leidt ons ertoe nader over „de milieu-omstandigheden" te denken. Men zou hieronder b.v. een strenge winter, of een droge zomer kunnen verstaan. Wanneer we ervan uitgaan dat de „strengheid" van een winter of de „droogte" van een zomer (ik laat de criteria voor het bepalen hiervan buiten beschouwing, omdat ze voor het betoog niet relevant zijn) niet voorspelbaar is, kan men hun optreden „toevallig" noemen. Het effect is niet toevallig — alhoewel op dit ogenblik wellicht niet geheel te verklaren. We zouden nu een omschrijving van het effect van deze milieufactoren als volgt kunnen geven: door het toeval bepaalde omstandigheden (maar zit in die
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1967
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1967
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 294 Pagina's