1967 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 167
CONTRA NATURAM
129
de vraag, wat een menselijk hart hebben en verdragen kan. Hier wordt de ervaring al veel gedifferentieerder: niet alle harten zijn bij dezelfde hoeveelheid drank en trappenlopen „op", terwijl bovendien men al doende leren kan, zodat bij een latere ervaring meer mogelijk blijkt dan aanvankelijk werd gedacht. Maar er blijven dingen, die apriori tegen de aard of „natuur" van een mensenhart ingaan, vrachten die dit hart nooit tillen kan. En wie het niet wil geloven, moet het maar proberen en ervaren, want dan is één ervaring genoeg. Door de ervaring kan men aan een grondstruktuur van het menszijn worden ontdekt, door de ervaring kan iets evident worden. Wan-' neer ik nu echter als andere en zelfs als eerste kenbron de evidentie noem, bedoel ik niet een evidentie door ervaring verkregen maar een die aan de ervaring voorafgaat. Iets kan evident zijn bij eerste waarneming, zonder dat het verder „geprobeerd" is, zonder dat de proef op de som genomen is. Na zoveel eeuwen mensheidservaring is het uiterst moeilijk, zo niet onmogelijk de ervaring uit het evidentiegevoel los te pellen, om a.h.w. tot de naakte evidentie terug te gaan. Toch geloof ik, dat beiden onderscheiden moeten worden, al is dit moeilijk waar te maken. Maar zou het ook vóór de eerste koppensneller niet altijd evident zijn geweest, dat het afhakken van het hoofd zo het een en ander tot consequentie had, ook al had men het nog nooit geprobeerd? Overigens kunnen we voor ons doel de onderscheiding tussen evidentie apriori en evidentie door ervaring verkregen wel laten rusten en ons verder tot de evidentie zonder meer beperken, in het midden latend of ze wel dan niet op ervaring is gegrond. Nu wordt in het rapport van het Gesprekcentrum over „natuurlijke" evidentie gesproken. Deze uitdrukking ontviel me tijdens de discussie (waarschijnlijk omdat we het zoveel over de „natuur" hadden!), maar het was waarschijnlijk eenvoudiger geweest, indien dit bijvoeglijk naamwoord was weggelaten. Toch kan er een goede zin aan worden gehecht, wanneer we de „natuurlijke evidentie" naast de „geloofsevidentie" stellen. Voor een gelovig mens zijn ook bepaalde werkelijkheden evident, het geloof zelf is niet nader te funderen, omdat het zijn eigen evidentie met zich mee brengt. Alleen: de werkelijkheid, waarvan het geloof spreekt, is niet voor iedereen evident, terwijl dit bij de „natuurlijke evidentie" wel het geval is. In deze laatste uitdrukking wordt er dus bij „natuurlijk" gedacht aan iets, dat algemeen geaccepteerd wordt, en in die zin bedoelen wij het, wanneer wij het thans over de evidentie als kenbron hebben. Natuurlijk (al weer dat nare woord!) komen er ook van dit algemeen aanvaarde evidentie-
||
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1967
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1967
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 294 Pagina's