1969 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 146
no
CHEMISCHE EVOLUTIE
van de spontane generatie een nieuwe impuls door de uitvinding van het microscoop. Met behulp van dit instrument kon men in aanvankelijk schoon water na enige tijd een gekrioel van allerlei levende organismen waarnemen. Het is tenslotte vooral Pasteur geweest, die voortbouwend op het werk van anderen, aantoonde dat deze microorganismen via de lucht in het onderzochte waterdruppeltje terecht waren gekomen en dat er geen sprake was van een spontaan ontstaan. Het is dan ca. 1850. Hiermee was natuurlijk het probleem van de levensbron niet opgelost. Die micro-organismen waren dan toch maar in de lucht aanwezig en zouden best eens ergens spontaan ontstaan kunnen zijn. Pasteur zelf beschouwde dit als een mogelijkheid, maar zijn tijdgenoten interpreteerden Pasteurs werk als een absoluut bewijs dat dode stof niet in levende organismen kon overgaan. Het tweede thema is dan ook de theorie van de continuïteit of eeuwigheid van het leven. Leven wordt gezien als iets totaal anders dan de niet levende natuur. Leven is eeuwig, net als materie, maar is niet uit materie voortgekomen. Levenskiemen, waarvan men dacht dat ze door het hele heelal verspreid voorkwamen, konden na het ontstaan van de aarde, op die aarde terecht komen, net zoals ze uit de lucht in dat druppeltje water terecht konden komen. Bijvoorbeeld Arrhenius was een aanhanger van deze theorie. Hij voerde berekeningen uit over de mogelijkheid van transport van deze kiemen van het ene hemellichaam naar het andere, dat zou plaats hebben onder invloed van de druk uitgeoefend door lichtstralen. Het is inmiddels ca. 1900. Oparin merkt op dat het onwaarschijnlijk, zo niet onmogelijk is, dat de levenskiemen ooit de aarde intact zouden kunnen bereiken in verband met de dodelijke stralingsintensiteiten, zowel van ultraviolette straling als kosmische straling, die in de ruimte buiten de aardatmosfeer heersen. De beide zojuist even aan{jeduide theorieën hebben één gemeenschappelijke trek en wel dat ze beide een dualistische kijk op de natuur vertolken. In beide thema's bestaat er een onoverbrugbare kloof tussen de levensloze en levende natuur. Voor de eeuwigheidstheorie is dat zonder meer duidelijk; bij de spontane generatie kwam alleen maar leven tot stand als ,,materie" zich verenigde met „ziel" of „levenskracht". U voelt al aankomen wat het essentiële punt van het derde thema gaat worden. Dat is: er is geen principieel verschil tussen dode en levende materie. Dezelfde fysische en chemische wetmatigheden die voor dode materie gelden, zijn ook van toepassing op levende materie. Volgens deze opvatting is er in de geschiedenis van de aarde sprake
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1969
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 310 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1969
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 310 Pagina's