Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1969 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 226

3 minuten leestijd

182

GRAFRITUEEL EN KERSTENING

christendom overnamen, ook voor hen de W-O begraving de gangbare bijzettingsvorm werd. In het Duitse Rijngebied vindt de overgang op uitsluitend die vorm van dodenbestel op een vroeg tijdstip plaats. Wij zagen reeds, dat dit proces te Krefeld-Gellep bijvoorbeeld al ca 450 voltooid is. Voor het Duitse Rijngebied heeft Böhner mogelijk gelijk, wanneer hij de overgang op de graforiëntatie aan invloeden van het christendom toeschrijft. 38 In het zuiden van Nederland ligt de situatie gedurende de zesde en zevende eeuw echter anders. In de eerste plaats treft men hier grafvelden aan, waarin verschillende grafvormen naast elkaar blijven voorkomen. Daarnaast zijn er begraafplaatsen, die uitsluitend georiënteerde graven vertonen, maar zelfs in die gevallen moet men zich afvragen of hier niet sprake is van de voortzetting van oudere inheemse tradities. Wel blijft de oorsprong van het rijk geschakeerde Merovingische grafritueel in zuidelijk Nederland in vele opzichten nog duister, het wortelt echter ongetwijfeld voor een belangrijk deel in de tradities van de vierdeen vijfde-eeuwse laetennecropolen. Voor dit gebied is daarom ook in de zesde en zevende eeuw de graforiëntatie geen bruikbaar criterium voor het onderscheid tussen christen en heiden. Het is verder van belang te constateren dat het in de Merovingische periode nog overal gebruikelijk is de dode van grafgiften te voorzien. Ook in het zuiden van ons land zijn verreweg de meeste Merovingische graven met bijgaven uitgerust. Dat zijn veelal „echte" bijgaven, zoals wapens of potten; aardewerk komt zelfs vaak in meer dan de helft van de graven voor. Reeds Reinecke heeft erop gewezen, dat de kerk deze gebruiken accepteerde, ^o of beter opnieuw accepteerde nu zij onder Frankische invloed weer binnen de sfeer van het christendom doordrongen, na in de laat-Romeinse tijd goeddeels te zijn verdwenen. 40 Bijgaven zijn in deze periode zeker geen indicatie van heidendom, en „lege" graven hebben niet noodzakelijkerwijs met het christendom van doen. Hierin verschuilen zich veeleer verschillen in de maatschappelijke positie van de overledenen. Een voorbeeld: Rothem heeft drie opvallend rijke mamiegraven opgeleverd. Het oudste (37) ligt in de noordoosthoek van het grafveld en wordt in de tweede helft van de zesde eeuw gedateerd. Het volgende (15) is zevende-eeuws en bevindt zich in het centrum; dicht erbij ligt een zeer rijk vrouwegraf dat in de eerste helft van de zevende eeuw zou thuishoren; van het laatste (13) is de plaats niet meer bekend; het dateert uit de tweede helft van de zevende eeuw. De overige 35 graven zijn grotendeels met zeer eenvoudige bijgaven,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1969

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 310 Pagina's

1969 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 226

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1969

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 310 Pagina's