1969 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 180
140
GEDRAGSONDERZOEK AAN DIEREN
dit gebeurd moet zijn; wij kennen veel handelingen met een duidelijke mededelingsfunctie, die van conflicthandelingen kunnen worden afgeleid, maar die, door overdrijving van bepaalde componenten en door toevoeging van opvallende structuren, hun communicatiefunctie in hoge mate hebben geperfectioneerd. In overeenstemming met de evolutiegedachte moeten we aannemen dat geleidelijke ontwikkeling van dit communicatiegedrag moet zijn veroorzaakt door een scherpe selectie van lukraak optredende mutaties, die op dit gedrag betrekking hebben. De selectie ligt dan dus bij het dier dat op het nieuw optredende gedrag reageert. De mogelijkheid om op een noviteit in het gedrag van een tegenstander of partner versterkt te reageren, ligt in de bovengenoemde gevoeligheid voor supernormale prikkelsituaties. Deze gevoeligheid moet in de evolutie van gedrag een essentieële rol spelen. Een ander verschijnsel, dat tot selectie van conflicthandelingen als middel tot communicatie kan hebben bijgedragen, is de z.g. „instrumental conditioning". Dit is het verschijnsel, dat een dier zeer snel kan leren, dat een bepaalde handeling (operant) welke hij uitvoert (en daarbij maakt het niet uit wat voor een handeling dit is), op enigerlei wijze wordt bekrachtigd (beloond of gestraft). Laat een dier in een bepaalde situatie een conflicthandeling zien, die tot een voor hem gunstige reactie in zijn opponent voert, dan zal hierdoor de frequentie van deze conflicthandeling kunnen stijgen en daarmee ook zijn doelmatigheid of selectieve waarde. De functionele betekenis van het communicatiegedrag is enorm. Zonder dit gedrag zou geen paarvorming tot stand komen, zou geen jong worden gevoerd, zou de benutting van de aanwezige voedselvoorraad door een soort zeer onefficiënt zijn, en zouden geen sociale systemen bestaan. Een aantal zeer recente onderzoekingen maken het waarschijnlijk, dat dit communicatiegedrag en de mogelijkheid het op harmonische wijze te gebruiken slechts ten dele rechtstreeks in de genen zijn gecodeerd, maar voor een belangrijk deel door een genetisch geprogrammeerde reeks van ervaringen zich moeten ontwikkelen. Wanneer aan individuele hoenders (Kruijt, 1964) en apen (Harlow, 1962, 1964) verhinderd werd om gedurende een bepaalde vroege periode in hun leven dergelijke ervaringen op te doen, ontwikkelde zich een abnormaal communicatiegedrag. Zo bleek bijv. dat bij deze dieren conflicten tussen systemen voor aanval en vlucht zeer abnormaal verliepen en in het bijzonder vaak tot sterke uitbarstingen van één van beide systemen leidden en niet tot een meer harmonisch gedrag, waarin verschijnselen van ambivalentie en oversprong tot
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1969
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 310 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1969
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 310 Pagina's