Gedenkboek van de viering van het 50-jarig bestaan der Vrije Universiteit te Amsterdam op 20-22 oktober 1930 - pagina 75
PRIJSVRAGEN 61
alleen bezig met beschrijving. De lovende uitspraken in de Civitate
Dei zouden zich op den tijd voor den val van Carthago betrekken.
Dit geschrift gaat dieper dan I en getuigt in sommige détails
van behoorlijk analytisch vermogen. Eenige philologische onjuist-
heden werken storend. Het geheel is weinig overzichtelijk, de
volgorde der gedachten niet duidelijk; een poging tot verklaring
van wat als tegenstrijdig wordt opgemerkt, wordt niet ondernomen.
Redenen waarom naar het oordeel der Faculteit ook deze ver-
handeling niet voor bekroning of eervolle vermelding in aanmerking
kan komen.
Het naambriefje is ongeopend vernietigd.
III. Een in het Nederlandsch geschreven verhandeling, groot 241
blz. folio, motto: MULTA LAUDATA HOMINIBUS TE TESTE DAMNANTUR.
Deze auteur geeft in zeven hoofdstukken een uitvoerige bespreking
van de tekstplaatsen. Zijn breede behandeling van de Romeinsche
godenleer en philosophie baseert hij op de stelling: „het is de
godsdienst, die ons doet doordringen in het wezen van een volk."
De houding van Augustinus tegenover dit alles verklaart hij van-
uit diens theologische opvattingen. Zijn conclusie luidt: „Naast den
mensch, die in alles God zocht, leefde in Augustinus een persoon-
lijkheid met een diep gevoel voor het zuiver menschelijk groote
en schoone". Op te merken valt zeer zeker, dat de auteur de op-
vattingen van den kerkvader omtrent de Romeinen te veel uit
diens grondgedachten deduceert. Vandaar dat hij ze niet voldoende
omschrijft en daarin ook geen tegenspraken aantreft, op wier ver-
klaring hij dieper zou hebben in te gaan. Hij neemt bovendien te
gaarne dien wervenden toon over, dien Augustinus somtijds tegen-
over de Romeinen aanneemt. Hierbij dreigt de kritische distantie,
noodig voor de plaatsing van het onderwerp in breeder verband,
te gering te worden. Zoo verwaarloost hij b.v. te zeer het verband
met het Neoplatonisme en geheel dat met Tyconius.
Intusschen geeft deze verhandeling blijkt van een breede littera-
tuurkennis, de stijl is helder en de compositie overzichtelijk. Te
loven valt ook, dat de auteur veel aandacht besteedt aan de histo-
rische omstandigheden, waaronder de kerkvader schreef. Ook
belicht hij Augustinus' opvatting der historie van uit de romeinsch-
christelijke traditie, het karakter van de Civitate Dei, den lezers-
kring, voor welken dit werk was bestemd en de daarmede samen-
hangende zwakheid van betoogtrant. Met name staat hij stil bij
de rol, die het tooneel in het Romeinsche leven van dien tijd
speelde. Het geheel blijkt van een bezonken oordeel.
Op grond van een en ander besloot de Faculteit, aan deze studie
een eervolle vermelding toe te kennen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's