Gedenkboek van de viering van het 50-jarig bestaan der Vrije Universiteit te Amsterdam op 20-22 oktober 1930 - pagina 245
REDE PROF. MR A. ANEMA 215
menschenwerk, en derhalve bevlekt niet alleen met velerlei zonde,
maar ook, laat het ons eerlijk bekennen, ontsierd door zooveel dat
menschelijk, h\ te menschelijk is.
Maar het wezen en de kern van dat werk zijn groot en goed,
omdat het een werk des geloofs is geweest bij den aanvang en
het voor de toekomst evenzeer, misschien zelfs nog heel wat meer,
een geloofswerk zal zijn en blijven. Dat juist is de rijke genieting
van dagen als ons thans werden geschonken, dat dan al dat kleine,
al dat menschelijke vergeven en vergeten wordt, dat dan het licht
van het hoogtij zooveel helderder en glanziger schijnt, zoodat op
wat van öns is de schaduw valt en wij alleen maar meer zien wat
God zelf vóör ons, door ons en met ons deed. Zóó en zóó alleen
moeten en willen wij ook thans verleden en toekomst beide bezien,
want immers zoo alleen zien wij alles naar werkelijkheiden waar-
heid en erkennen wij dankbaar: in Uw licht zien wij het licht. Dan
valt ook alle aarzeling van ons, dan denken wij aan geen terug-
houding meer, dan klinkt het uit ons aller mond, één voor één:
Heere, zie hier ben ik. Dan klemmen wij Gods Woord in de ééne
hand en de andere heffen wij ten hemel, en plechtiglijk vernieuwen
wij den eed van trouw aan Hem en aan elkander, dat wij ook voor
de toekomst, die thans aanvangt, de taak, die Hij ons op de
schouders legt, voor ons zelf en voor onze kinderen van heeler
harte aanvaarden onverdeeld en ten volle, en moge eer onze hand
verdorren vóór ooit wij haar schennend zouden slaan aan dien
heiligen trouwband, moge de tong ons in den mond verstijven, eer
zij zou trachten te tornen aan tittel of jota dier trouwbelofte. En
dan — dan schuift God zelf het gordijn van voor die toekomst ter
zijde en blaast de adem Zijns monds eiken nevel weg, die ons het
oog zou kunnen omfloersen. Want immers, als wij zóó tot Hem
komen, zeker, met belijdenis van zonde en zwakheid, maar niettemin
met het vaste voornemen om ons aan Hem te houden, dan belooft
Hij ons geen stoffelijken voorspoed, dan verzekert Hij ons geen
ongestoorde geestelijke genieting, maar schenkt Hïf ons juist dien
waarborg voor de toekomst, die ons boven alles gaat, want dan
klinkt Zijn antwoord: Mij nu aangaande, dit is mijn verbond met
hèn, spreekt de Heere: Mijn Geest, die op u is en mijn woorden,
die Ik in uwen mond gelegd heb, die zullen van uwen mond niet
wijken noch van den mond uws zaads, noch van den mond van
het zaad uw zaads, zegt de Heere, van nu aan tot in eeuwigheid toe.
Zóó geve de Heere onze God het ons voor den tijd, die komt,
in goedertierenheid en genade!
Nadat de heer Care opnieuw eenige liederen gezongen heeft,
spreekt de Voorzitter:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's