Gedenkboek van de viering van het 50-jarig bestaan der Vrije Universiteit te Amsterdam op 20-22 oktober 1930 - pagina 10
2 GEBEDSURE
Toen het vereerend verzoek van Heeren Directeuren en van het
Locaal Comité tot mij kwam, durfde ik niet weigeren, te meer,
waar de Vrije Universiteit mij als een van hare eerste studenten
boeken mocht, mij tot rijken zegen werd en de liefde des harten
had en nog heeft.
Weinig tijd was er ter voorbereiding voor deze ure, het moge
geen schade doen aan het woord ter inleiding op het gebed voor
onze geliefde Hoogeschool.
Een gebedsure dus!
Augustinus, de groote Westersche Kerkvader, wiens sterfjaar wij,
als vijftien eeuwen geleden, dit jaar hebben herdacht, heeft over
het bidden eens een treffend woord gezegd, namelijk: „Het gebed
des rechtvaardigen is als een sleutel des hemels, het gebed stijgt
op ten hemel en de ontferming daalt vandaar neder."
Kan het korter en schooner gezegd?
Een sleutel, waarmede de deur van de schatkamer des hemels
ontsloten wordt.
Geen toovermiddel, waardoor ge alles, wat ge gaarne wilt, nu
maar voor het krijgen hebt; maar wel een genademiddel.
Zoo laat de Heilige Schrift u het gebed zien, zoo hebben de Bijbel-
heiligen het gebruikt, zoo beschrijft het onze Heidelberger Cate-
chismus : „dat God Zijn genade en den Heiligen Geest alleen aan
hen geven wil, die Hem met hartelijk zuchten, zonder ophouden
daarom bidden en daarvoor danken."
Zie, op het gebed gaan de vensteren des hemels open en straalt
het licht uit op het dikwijls duister levenspad. Welnu, die sleutel
des hemels is gebruikt bij de stichting en de ontplooïng van onze
Vrije Universiteit, wij mogen en wij willen op haar Jubileum den
gebedssleutel niet vergeten.
Laat mij dan de goede gewoonte volgen een woord uit de Heilige
Schrift te nemen ter inleiding op het gebed.
En dan moge het bij het eerste gehoor vreemd klinken op een
jubileum, bij een f eesture, het Boek der Klaagliederen open te slaan,
toch vonden we hier een paar verzen, zeer geschikt tot grondslag
voor deze gebedsure, woorden van gebedsleven.
Lezen we uit de Klaagliederen van Jeremia, Hoofdstuk 3, de
verzen 56 en 57:
„Gij hebt mijn stem gehoord, verberg Uw oor niet
voor mijn suchten, voor mijn roepen. Gij hebt U
genaderd, ten dage als Ik U aanriep, Gij hebt ge-
segd: Vrees niet!"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's