Gedenkboek van de viering van het 50-jarig bestaan der Vrije Universiteit te Amsterdam op 20-22 oktober 1930 - pagina 175
REDE PROF. DR J. RIDDERBOS 151
De zwarte schaduw allereerst van menschelijk gebrek, van een
tekortschieten in trouw aan het hooge ideaal, in geloof, in geest-
drift, in bezieling. Zien we op het zondige, waarvan die vijftig
jaren getuigen waren, dan gevoelen we het diep, dat ons op dezen
gedenkdag allereerst betaamt de toon der verootmoediging voor
's Heeren aangezicht.
En toch, óók voor den jubel en voor het feestgewaad is heden plaats.
Want dit zien we óók, dat trots alle zwakheid en ontrouw er van de
Vrije Universiteit in deze halve eeuw inderdaad eene zegenrijke
werking is uitgegaan, dat zij op het leven van ons volk een in-
vloed ten goede heeft uitgeoefend, die niet gering te schatten is.
Hier is het wonder der genade van Hem, die gebrekkige en zondige
menschen wil gebruiken om Zijn heerlijk werk tot stand te brengen.
Schaduw is er óók in dit opzicht, dat de strijd voor het gestelde
ideaal zwaar is gebleken, zwaarder wel dan menigeen in de
geestdrift der eerste, jonge liefde zich had voorgesteld. Er zijn
gedurende die vijftig jaren in het leven der Universiteit wel
oogenblikken geweest, waarop haar hoogleeraren, haar verzorgers
en bestuurders, haar vrienden, zich misschien hebben afgevraagd:
wat zijn we met die Vrije Universiteit eigenlijk begonnen; hebben
we ons niet in jeugdige onbezonnenheid laten verlokken tot eene
onderneming, die voor een meer bezadigd oordeel niet te recht-
vaardigen is; zouden we eigenlijk niet mogen klagen over het al
te vurig idealisme der stichters, dat hen, en ons als hunne volge-
lingen met hen, heeft getroond op een pad, waarvan teleurstelling
en ontgoocheling het eindpunt is?
En toch — wie aldus spreekt, heeft ongelijk. Wij twijfelen niet,
of het door de stichters dezer School gegrepen ideaal, om het erf
der wetenschap op te eischen voor onzen Koning, is uit God;
immers is het in overeenstemming met de H. Schrift, die ons leert,
dat uit Hem en door Hem en tot Hem élle dingen zijn.
Maar als het dan uit God is, dan is het ook Zijn zaak, en dan
gaan we veilig, als we Zijn zaak in Zijn handen stellen. Dan
geldt het ook hier: „Hij, die u roept, is getrouw, die het ook doen
zal", 1 Thess. 5 : 24.
Wel is het, ook in dien weg der Goddelijke roeping, dikwijls
moeilijk. Ik denk hier aan een Jeremia, die in zijn jeugd tot profeet
des Heeren was geroepen, en die later, onder den indruk van al
den strijd en het verdriet, dat aan deze roeping verbonden bleek
te zijn, zich bij zijn God beklaagde (20: 7 v.v.):
Gij hebt mij gelokt, Heere! en ik liet mij verlokken.
Gij hebt mij aangegrepen, en hebt overmochtl —
Nu ben ik tot belaching den ganschen dag,
iedereen bespot mij!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's