Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Gedenkboek van de viering van het 50-jarig bestaan der Vrije Universiteit te Amsterdam op 20-22 oktober 1930 - pagina 108

Bekijk het origineel

Gedenkboek van de viering van het 50-jarig bestaan der Vrije Universiteit te Amsterdam op 20-22 oktober 1930 - pagina 108

3 minuten leestijd

90 REDE PROF. MR. D. P. D. FABIUS.

daarvoor ingeschrevenen (de studenten R. J. W. RUDOLPH en

W. H. DE SAVORNIN LOHMAN) was voltooid.

Voorts beteekende belangrijke aanwinst de komst van den hoog-

leeraar WoLTjER in September 1881, waardoor mogelijk werden,

behalve de colleges van den hoogleeraar DILLOO in het Hebreeuwsch,

ook andere colleges voor de propaedeuse.

Toen Mr LOHMAN, na zijn ontslag als Minister, zich bereid had verklaard, als

hoogleeraar terug te komen, doch, met verandering van inzicht, slechts, indien ik

opnieuw hem het staatsrecht wilde afstaan, — heb ik andermaal gemeend, dit te

moeten doen. Na zijn voor-goed heengaan in 1897 ben ik weder tot het staatsrecht terug-

gekeerd, en heb ik dat, gesplitst in Nederlandsch en algemeen staatsrecht, behouden

tot mijn ontslag in 1921. Van 1896 tot 1904, in welk j a a r de hoogleeraren ANEMA

en DIEPENHORST als hoogleeraar hunne intrede deden, — alleen staande voor het

onderwijs—de hoogleeraar WOLTJER had in die jaren weder zitting in de faculteit

— heb ik mij, voor burgerlijk recht, handelsrecht en strafrecht beperkt tot het

in die vakken afnemen van tentamens en examens. Ook had ik de leiding bij het

vervaardigen van alle proefschriften.

Het Romeinsche recht heb ik met veel liefde onderwezen, al bood dit minder

gelegenheid om tot de diepere beginselen door te dringen, dan bij het onderricht

in de encyclopaedic en de wijsbegeerte van het recht. Echter was mij reeds aan-

genaam door de colleges in eerstgenoemd vak de studenten bekend te maken met

voorname, in hoofdzaak nog geldende rechtsbegrippen.

In de tweede plaats had voor mij steeds bekoring, de eerstbeginnenden te oefenen

in het z. g. juridisch denken. (Zie daarover WÜRZEL, Das juristische Denken [(1904)

blz. 7/8) Voor sommigen is dit eene tegenstelling met denken naar gezond verstand,

en alzoo verkeerd. Welke opvatting herinnert aan het woord van TAINE : „1' homme

est fou de n a t u r e ; " daarmee bedoelende, dat het gezonde denken niet staat aan

het begin, maar eerst door oefening verkregen wordt.

Zoo eischt voor mij het juridisch denken het ter-zijde-stellen van alles wat niet

ter zake doet: sympathie voor en antipathie tegen eene der partijen; ook over-

wegingen van nuttigheid. Het is de onhistorische gedachte,dat jarenlange praktijk

het oog des rechters al meer verduistert voor het eenvoudige recht. Het tegendeel

is waar. Hierin ligt niet het minst de waarde van den geschoolden rechter, dat

deze meer en meer de gewoonte krijgt, geenen invloed te gunnen aan factoren,

die buiten het recht vallen.

Voorts behoort tot het juridisch denken de bekwaamheid om in de samenge-

stelde levensverschijnselen het rechtselement te ontdekken. In welk opzicht de

Romeinsche juristen uitmuntten. Aldus ook RADBRUCH, Grundsüge der Rechtsphilo-

sophte (1914), blz. 211.

In de derde plaats was mij steeds tot lust, te wijzen op de gemakkelijkheid

en nauwkeurigheid, waarmee de Romeinsche juristen hunne rechtsbegrippen

hanteerden. Terwijl zij toch waarlijk niet zijn verward in begrippenrecht. Terecht

is opgemerkt, dat, voorzoover zij rechtsconstructiën als onaantastbaar voorstelden,

dit niet het minst aan didactische overwegingen is toe te schrijven. Zeker waren

de Romeinen bijzonder voorzichtig met het veranderen van het rechtssysteem. Zij

beseften, dat de beteekenis eener verandering niet altijd dadelijk kan worden

overzien. Toch moest het leven geholpen worden. Daarom hebben zij in ruime

mate gebruik van de fictie gemaakt, waardoor, terwijl schijnbaar het oude stelsel

in stand werd gehouden, dit inderdaad toch eene veelszins andere gedaante ontving.

Een vierde aantrekkelijkheid heeft het onderricht in het Romeinsche recht steeds

voor mij geboden door den eigenaardigen inhoud der Pandecten, als fragmenten

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931

Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's

Gedenkboek van de viering van het 50-jarig bestaan der Vrije Universiteit te Amsterdam op 20-22 oktober 1930 - pagina 108

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931

Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's