Gedenkboek van de viering van het 50-jarig bestaan der Vrije Universiteit te Amsterdam op 20-22 oktober 1930 - pagina 152
132 REDE MR TH. HEEMSKERK
de hoogleeraren bij hun onderwijs rekenen, en waaruit veel is af
te leiden, en misschien zouden zij er niet eens geleerd uit zien.
Billijk zou het zijn aan de nieuwe natuurphilosophische faculteit
voorloopig daarbij geene ver gaande eischen te stellen. Natuurlijk
is eenerzij ds nog veel terrein te ontginnen; anderzijds zijn op haar
gebied in den laatsten tijd, hier te lande met name o.a. door Prof.
Lorentz, vele ontdekkingen gedaan en vele nieuwe gegevens ver-
zameld. Het is niet van onze hoogleeraren te verwachten, dat zij
aanstonds andere resultaten zullen vinden, en zulks te minder
omdat een ongetwijfeld verdiept inzicht in de verschijnselen en
krachten der natuur wijst in de richting der Gereformeerde be-
ginselen. Hoe meer men ontdekt, des te duidelijker staat men voor
het Goddelijk mysterie van de scheppende en onderhoudende
kracht in het natuurlijk leven. En de Schrift is niet een leerboek
voor natuurkunde of kosmographie, maar zij verkondigt uitdrukkelijk
dit Goddelijk mysterie.
Allicht zal nu de taak der nieuwe faculteit zijn, om hare vakken
van wetenschap, met gebruik van vele nieuwe gegevens, te bezien
in dat licht en aldus hunne rechte plaats te bepalen.
De Universiteit bestaat niet alleen uit hoogleeraren (van Direc-
teuren en Curatoren spreek ik niet), maar ook uit studenten. Men
hoopt van hen twee dingen: Ie. dat zij oprecht geloovige Christenen
zijn; 2e. dat zij, wetenschappelijk onderlegd, na volbrachte studie
de Gereformeerde beginselen zullen in praktijk brengen. Het is
hun voorrecht daartoe te worden voorbereid en naarmate de
vruchten van die voorbereiding in hun academisch en later in hun
maatschappelijk leven aan den dag treden, naar die mate zal ook
het vertrouwen en de liefde tot de Universiteit in de Gereformeerde
volksgroep grooter en bestendiger zijn. Mag ik een korte opmerking
hieraan toevoegen? De jeugd is tegenwoordig wel eens geneigd te
denken, dat zij in dezen modernen en fel bewogen tijd vele dingen
anders moet inzien dan de ouderen. Dit kan licht op een dwaalweg
voeren; de ouderen weten wel en moeten bedenken, dat bij wisseling
van toestanden andere maatregelen noodig kunnen zijn dan vroeger;
maar er zijn eeuwige waarheden, die voor alle tijden gelden, en
waarvan men zich, oud of jong, niet straffeloos kan afwenden.
Buitenstaanders meenen lichtelijk, dat de studenten aan onze
Universiteit eenzijdig ontwikkeld worden, doch daarvoor bestaat
geen gevaar. Om de Gereformeerde beginselen en hunne toepassing
te verstaan, moet men zich rekenschap geven van het onvoldoende
en het onjuiste van andere beginselen, die men, om het zoo uit te
drukken, moet verteeren. Het humanistische en het stoffelijk leven
ontmoet men overal; dat moet door het Goddelijke overwonnen
worden niet slechts op het gebied der particuliere, maar ook der
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's