Gedenkboek van de viering van het 50-jarig bestaan der Vrije Universiteit te Amsterdam op 20-22 oktober 1930 - pagina 147
REDE MR TH. HEEMSKERK 127
vermits de faculteiten zelven hare aanbevelingen doen. Maar het
is eene fout, als door de Koninklijke benoeming de verantwoordelijk-
heid voor de richting der benoemden op de Regeering wordt geladen.
Nu het zich eenmaal historisch zoo heeft ontwikkeld, is het zeer
moeilijk van de Rijks-universiteiten af te komen, en ze over te
dragen aan eene wetenschappelijke groep, die bij de bonte menge-
ling van kleuren bezwaarlijk zou zijn te formeeren, en die — is
het niet zoo ? — de bekostiging der Universiteiten met verscheidene
millioenen van het Rijk zou moeten overnemen zoolang immers
het beginsel geldt, dat vrije universiteiten, behoudens eene geringe
tegemoetkoming, zelf hare kosten moeten dragen.
Maar zuiver is het stelsel niet; in Engeland b.v. gaat het ook
heel anders, en een geëerd Christelijk-historisch redenaar maakt
zich eene illusie, als hij denkt, dat ieder met het stelsel hier te
lande voldaan is.
Onze Vrije Universiteit is vrij van deze overheidsbemoeiing. De
richting harer professoren wordt niet door de Regeering bepaald.
Toch staat zij in betrekking tot de Overheid, die immers aan
hare academische graden dezelfde burgerlijke en staatsrechtelijke
gevolgen verbindt als aan die der openbare Universiteiten. Daar-
aan is natuurlijk de wettelijke eisch verbonden, dat de academische
graad verworven wordt door examen in zekere vakken, een quanti-
tatieve eisch van wetenschappelijke ontwikkeling, die, door het
vertrouwen in het korps hoogleeraren gesteld en noodzakelijk te
stellen, tevens toch ook een qualitatieven eisch bevat.
Over deze overheidsbemoeiing heeft men zich niet te beklagen.
Er zijn beroepen en ambten, waartoe slechts kunnen worden toe-
gelaten zij, die aan zulke eischen voldoen, en daarvoor heeft de
Overheid te waken. Natuurlijk kan bij het stellen van die eischen
deskundige voorlichting niet ontbreken; deze is en wordt der
Regeering niet onthouden. Wtj hebben sinds de Wet van 1905,
door Dr Kuyper tot stand gebracht né. ontbinding der Eerste
Kamer, slechts te zorgen, dat wij aan die eischen voldoen.
Maar toch nog aan een anderen door de Wet gestelden eisch,
— namelijk dat wij met het begin van het volgend jaar eene
vierde faculteit hebben met ten minste drie hoogleeraren, en na
25 jaar de vijfde faculteit.
Immers eene Universiteit, die niet alle vijf faculteiten omvat,
is niet werkelijk eene Universiteit, een alleszins juist beginsel,
door ons ten volle beaamd, want immers het volgt uit het uni-
verseel karakter der wetenschap als gave der Goddelijke open-
baring en den daaruit voortvloeienden onderlingen samenhang van
al hare onderdeelen, zoodat de Universiteit eene eenheid vormt,
die niet kompleet kan zijn, zoolang een van de deelen ontbreekt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's