Gedenkboek van de viering van het 50-jarig bestaan der Vrije Universiteit te Amsterdam op 20-22 oktober 1930 - pagina 76
62 PRIJSVRAGEN
Na verkregen verlof tot het openen van het naambriefje, bleek
de auteur te zijn de Eerwaarde Zuster Agnes Dicker, doctoranda
in de klassieke letteren aan de Keizer-Karel-Universiteit te Nijmegen
en leerares aan het R.K. Meisjeslyceum te Rotterdam.
IV. Een in het Nederlandsch geschreven verhandeling, groot
122 blz. folio, waarbij gevoegd afbeeldingen van een tarracottabuste
en een mozaïek illustreerende superbia en humilitas. Motto:
CHRISTIANUS ES, NON ROMANUS.
De auteur ontwikkelt een kritische opvatting van de traditie
over het volkskarakter der Romeinen, zooals dit leefde in de
Romeinsche historiografie en gaat na^ in hoeverre Augustinus
van haar afhankelijk was en zich van haar vrijmaakte. Hij beperkt
zich niet tot bespreking van de Civitate Dei I-V en parallelle
teksten, maar wijst ook verschillen aan met andere geschriften
van Augustinus, met name zijn Confessiones. Na de bespreking
van het materiaal beziet hij dit verklarend vanuit het centrale
leerstuk der gratia, waarmee z. i. zekere gunstige uitspraken van
den kerkvader ten aanzien van de Romeinen niet strooken. Deze
uitspraken toeschrijvend aan den wervenden opzet van de Civitate
Dei roept de auteur voor de verklaring van de contradicties psy-
chologische gezichtspunten te hulp. Hij typeert n.l. de houding van
Augustinus tegenover de grootheid der Romeinen in aansluiting
aan Harnack en met gebruikmaking van Scheler's theorie van het
ressentiment.
Uit de beschrijvende hoofdstukken van deze verhandeling spreekt
een flink vermogen tot analyse en interpretatie, zoolang de auteur
bezig is met de verhouding van Augustinus tot zijn voorgangers
op het gebied der historiographie. Minder gelukkig is hier reeds
de historische typeering van het Christendom, speciaal in de oud-
heid, en van de christelijke geschiedschrijving. Meer bedenkingen
wekt het verdere van het werk, dat de belichting en verklaring
van het materiaal wil brengen. Zoo mist men bij de uiteenzetting
van Augustinus' electietheorie ook hier noode de teekening van
de historische verbanden, wier aandeel aan het ontstaan van de
geconstateerde contradicties de auteur onderschat heeft. Waar hij
nu de verklaring van deze tegenstrijdigheden geheel in de indivi-
dueele psychologie zoekt, moet opgemerkt, dat — daargelaten de
te waardeeren poging het karakter van Augustinus te duiden uit
zijn somatische eigenschappen — de fundeering van dit deel
zwak is. Het tracht n.l. de theoriën van Kretschmer en Jung te
combineeren, wat slechts mogelijk blijkt met behulp van een zeer
ruime opvatting van de „Objektgebundenheit".
De Faculteit heeft een zeer gunstigen indruk van den weten-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's