Gedenkboek van de viering van het 50-jarig bestaan der Vrije Universiteit te Amsterdam op 20-22 oktober 1930 - pagina 122
104 REDE PROF. MR. D. P. D. FABIUS.
Daarom heb ik den studenten wel gevraagd, of zij de beteekenis
van bun komen aan de Universiteit ernstig overwogen hadden;
hun voorhoudende het woord van GROEN VAN PRINSTERER in 1847
geschreven, in 1868 met kleine wijzigingen herhaald, en dat veels-
zins nog geldt: „indien een jongeling, bij het nauwelijks intreden
zijner politieke loopbaan, zich tot mij vervoegde om in het anti-
revolutionaire Staatsregt eenig onderrigt te ontvangen, ik zou
wellicht aarzelen wat te doen. Ik zou althans trachten hem vooraf
tot zelfonderzoek te brengen. Ik zou hem vragen : hebt gij de
kosten berekend? Zijt gij tot zelfverloochening gereed? Zoo niet,
ik zou geen moed hebben hem nuttelooze wroeging te bereiden."
Echter verzuimde ik niet, dan daaraan toe te voegen, wat GROEN
op het aangehaalde volgen doet: „Doch, mogt ik in hem een
edeler geest ontwaren, een niet dagelijkschen maatstaf van geluk
en eer, ik zou hem toeroepen: laat niets u terughouden; voor u
heeft de waarheid voorregten en genoegens, waardoor het te loor
gaan van elke verwachting overvloedig zal worden vergoed 1"')
Het diep inprenten van vaste beginselen, is niet het minst de
zegen, dien de Universiteit den studenten heeft te geven; een
zegen, waardoor zij straks in staat zijn, zelfstandig den weg in
het samengestelde leven te vinden.
Ook wordt daarvoor onder hen veelszins een vruchtbare bodem
gevonden. Het jeugdige gemoed, nog vaak ontoegankelijk voor
berekeningen van duffen smaak, drinkt frisch beginselwater dikwerf
met gretigheid in. Voor moeilijkheden, die den jongeling daarvan
in het leven wachten, deinst hij niet terug; zij prikkelen hem niet
Zoodanige werkstaking is niet een daad van den bewusten werkman in eigen zaak, —
m a a r zij is een daad van een Werkliedenvereeniging, een daad in haar strijd om
zich van de macht in een V a k en in de afzonderlijke Bedrijfsondernemingen
meester te maken."
In de elfde stelling: „De tegenwoordige zoogenaamde Vakorganisatie is niet
anders dan de georganiseerde klassenstryd, die in een valsch beginsel wortelt en
opstand is tegen de Ordinantiën Gods voor het menschelijke leven."
In de twaalfde stelling: „Zoo ze i n g a n g kan vinden in het Christendom, zich
meester kan maken van den Christelijken naam, en van den Tempel Gods als een
religieuze beweging kan uitgaan, leidt ze n a a r het rijk van den Antichrist heen.
Daarom wordt deze zoogenaamde Vakbeweging snooder en gevaarlijker, wanneer
ze onder den naam van „Christelijke" Vakbewegingzow kunnen optreden tot voortzetting
van den aangevangen machtsstrijd"
Aan dergelijke gespierde taal, die aan GROEN VAN PRINSTERER herinnert, raken
we in dezen zwoelen tijd al meer ontwend.
Ook ik heb herhaaldelijk gewezen op het valsche in den n a a m van vakvereeni-
gingen, wijl zij zijn noch van het vak (de patroon is niet daarin), noch voor het vak
(zij bedoelen alleen de belangen der arbeiders)
') Ongeloof en Revolutie, 2de dr. blz. 7; Ie dr. blz. 7/8. Van mij zijn de cursiveeringen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's