Gedenkboek van de viering van het 50-jarig bestaan der Vrije Universiteit te Amsterdam op 20-22 oktober 1930 - pagina 221
REDE DS T. FERWERDA 193
van de gerechtigheid Gods, maar hij heeft er ook de stem gehoord
van den Geest, die met onzen geest getuigt, dat wij kinderen Gods
zijn; hij heeft onder den diepen indruk van de barmhartigheid
van zijn Heiland hier in de eenzaamheid beleden: Heer, Gij weet
alle dingen. Gij weet dat ik U liefheb. Maar nu schuift hij, ontroerd
van dankbaarheid om de genade, die hem redde, het gordijn op
zij en hij ziet naar buiten, en wordt daar verrast door een uitzicht
vol aangrijpende bekoring. "De hemelen vertellen Gods eer en het
uitspansel verkondigt zijner handen werk!" De eene dag vertelt
uit zijn overvloed aan den anderen van de heerlijkheid Gods; en
iedere nacht draagt aan haar opvolgster den lof over van zijn
glorie. Geen spraak en geen woorden zijn er, waar hun stem niet
wordt gehoord. Daar rijst de zon op, uitgaande als een held om
't pad te loopen, zij neemt haar zwaai en spoor den ganschen
hemel door en ook voor haar heeft de Almachtige Schepper van
hemel en aarde, een tent gesteld. Datishet uitzicht uit het venster:
de weerkaatsing van de heerlijkheid van Hem, die uit Sion de
volkomenheid der schoonheid blinkende verschijnt, die de majesteit
van Zijn Naam geschreven heeft op al de werken van Zijn handen,
en wiens wijsheid, goedheid en macht de hemelen belijden.
Maar nu dringt en perst bij den christen die zóó het venster
van de binnenkamer openzet, al wat in hem is: naar buiten. Naar
buiten, midden in het groote, volle, woelende, worstelende leven
om daar, naar 't verheven voorbeeld der hemelen, Gods Naam te
belijden^ Zijn eer te vertellen^ in aanbidding Zijn grootheid te
dienen. Naar buiten roept en dringt en perst 't gemoed, dat door
Gods Geest gewillig is gemaakt en bereid om Hem voortaan te
leven. Och, zegt de piëtist en de methodist: als wij Christus maar
in het hart hebben — wat zullen wij meer nog zoeken. En de
Calvinist, diep ervan doordrongen, dat dit waarlijk het ééne noodige
is, hoort 't met waardeerenden ernst aan. Maar juist dat ééne, die
liefde drijft hem uit naar buiten; het is, alsof de wanden van de
binnenkamer terugwijken; het is, alsof dit stille bidvertrek eerst
is, wat het moet zijn, wanneer het heel de wereld omspant, want
vol heiligen hartstocht breekt zich het diep geloofsverlangen baan:
„alles wat adem heeft, love den Heer!"
Iets van dit blijde enthusiasme had Groen aangegrepen, den
aristocraat van stand en geest, toen hij 't woord schreef: de liefde
van Christus moet ons, ter verheerlijking Gods, overal waar Hij
verheerlijkt kan worden, opwekken en dringen. En ditzelfde enthu-
siasme brengt nog steeds de ziel in ontroering van den armste
van geest, die vrede vond bij den Gekruiste en daarom de eer
zoekt van dien God, die alzoo lief de wereld heeft gehad, dat Hij
haar zijn eeniggeboren Zoon heeft gegeven. Daar, daar ligt het
V. U. 13
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's