Gedenkboek van de viering van het 50-jarig bestaan der Vrije Universiteit te Amsterdam op 20-22 oktober 1930 - pagina 211
REDE J. J. C. VAN DIJK 185
kleinigheid is dan toch in ieder geval, als ik het wel begrepen
heb, van geestelijken aard en beteekenis. Dan kan het nooit gering
zijn, omdat nu eenmaal voor ons het geestelijke altijd voorop wordt
gesteld en omdat het geestelijke werk in ons leven behoort te
overheerschen. Maar bovendien, wat dit Locaal Comité in deze
dagen voor de Vereeniging en voor de Universiteit heeft gedaan,
is van zoo enorm groot belang, dat ik mij geroepen voel niet
alleen voor dat cadeau, maar zeer in het bijzonder voor het werk,
dat door het Locaal Comité verricht is, inzake de organisatie van
al deze feestelijkheden, den innigen dank van Directeuren uit te
spreken. Ik vind het eigenlijk wonderbaarlijk, wat door dit Comité
is gedaan. Er zijn hier en daar wel enkele kleinigheden geweest,
maar het lag aan het ongedisciplineerd zijn van ons zelf, als alles
niet precies geklopt heeft. Maar over het geheel is de indruk, dien
ik gekregen heb van de organisatie, voortreffelijk geweest. Het is
mij werkelijk een behoefte namens Heeren Directeuren onzen
innigen dank uit te spreken aan het Locaal Comité voor het
werk, dat zij hebben willen verrichten.
Nu is het einde van het samen-zijn gekomen. Ik zou U voor
willen stellen, broeders en zusters, dat wij samen nog een Psalm
zingen en dan deze bijeenkomst sluiten. Laat ons samen zingen
onze Calvinistische Psalm, die wij op onze vergaderingen zoo vaak
plegen aan te heffen, dat bekende vers uit Psalm 89.
Doch mijnheer Van Dijk wil eerst even wat zeggen.
Rede van den heer J. J. C. van Dijk.
Wij hebben van avond genoten. Er is een stroom van sympathie
en geestdrift geweest en het object daarvan was onze V. U. Maar
bovenal kwam daarin tot uitdrukking de groote dankbaarheid
aan den Heere onzen God voor de zegeningen ons geschonken.
Die stroom van geestdrift en sympathie zocht uitweg in een
stroom van welsprekende woorden en die woorden moesten hier
worden opgevangen. Op die woorden moest een antwoord worden
gegeven. Daar moest iemand op de bres staan en de Voorzitter
van Directeuren, de heer Colijn, heeft op de bres gestaan. In figuur-
lijke beteekenis heeft hij dat tal van malen gedaan; een enkele
keer misschien ook wel in de letterlijke beteekenis van het woord.
Maar toch niet veel. Want in de letterlijke beteekenis van het
woord wil het toch zeggen, dat men zich bevindt in de positie
van verdediging; dan staat men op de bres. Ik meen, dat de
positie van verdediging voor den heer Colijn niet de meest
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's