Gedenkboek van de viering van het 50-jarig bestaan der Vrije Universiteit te Amsterdam op 20-22 oktober 1930 - pagina 222
194 REDE DS T. FERWERDA
geheim van de Calvinistische liefde voor een wetenschap, die in
haar vorm en taal, in haar stellingen en boeken en naar de maat
van haar kracht en talent, doet wat de hemelen doen en de lichten
aan den hemel: de grootheid Gods uitroepen over heel't scheppings-
leven.
Zoo is en wordt nog steeds deze geestdrift gewekt, maar waardoor
wordt hij gevoed? Want zal geestdrift iets meer zijn dan de op-
winding van een oogenblik, dan heeft hij voedsel noodig. Natuurlijk
zoeken wij in dit geval den voedingsbodem vooral in een krachtig,
gezond, opgewekt geloofsleven. Maar daarop kom ik straks in een
ander verband nog terug.
Hier wilde ik eerst op iets anders wijzen dat, zoover ik 't be-
oordeelen kan, ook niet zonder beteekenis is. De Calvinistische
geestdrift voor de wetenschap vindt voor een deel zijn voedsel in
den tegenstand en strijd, dien hij van allerlei kant ontmoet. De
ervaring leert, dat strijd en tegenkanting in den regel prikkelt tot
hooger bezieling en tot verdubbeld krachtsbetoon.
In het nummer van de Groene Amsterdammer, dat verscheen na
de opening van de V. U. gaf een breed en belangwekkend artikel
een beschouwing van geprononceerd vrijzinnigen kant over dit
historisch feit. Op de vraag, wat toch eigenlijk de bedoeling was,
die de oprichters dezer Universiteit nastreefden, zocht het weekblad
terecht het antwoord in de richting van haar stichters. „Zij zijn —
schreef het — christenen en wel Nederlandsche Gereformeerden.
Voor hen is als voor de meest beteekenende mannen onder onze
voorvaderen in de 17e eeuw het Calvijnsch christendom het merg
van hun geestelijk leven. Gehecht aan de christelijke openbaring
hebben deze mannen de oogen niet gesloten voor het nauwlijks
onloochenbaar feit, dat het christelijk geloof in de laatste 20 jaren
hand over hand in ons land is achteruitgegaan." En deze geestelijke
achteruitgang wordt dan als volgt geteekend:
„Terwijl vroeger een ongeloovige werd genoemd iemand, die om-
trent de christelijke leerstellingen zich ook maar eenige vrijheid
veroorloofde, zoodanige nochtans tot geen prijs den naam van
christen wenschte te verbeuren, schaamt men zich tegenwoordig
niet voor een anti-christ gehouden te worden, evenmin als voor de
belijdenis, dat men een wereldbeschouwing is toegedaan, welke uit
den aard der zaak met die welke vóór 18 eeuwen ingang kon
vinden, een hemelsbreed onderscheid vertoont. Terwijl voorheen de
geavanceerde denkbeelden het deel waren van zeer enkele geleerden
of vrijdenkers, die zich echter wel zouden gewacht hebben, deze
in al hun naaktheid te verkondigen, is het ongeloof aan de christe-
lijke openbaring niet langer het monopolie aan de eene zijde van
diepzinnige geleerden of aan de andere zijde van lichtzinnige
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's