Gedenkboek van de viering van het 50-jarig bestaan der Vrije Universiteit te Amsterdam op 20-22 oktober 1930 - pagina 225
REDE DS T. FERWERDA 197
Zoo wordt door den geestelijken ernst der tijden zelf de Calvi-
nistische geestdrift voor de wetenschap gevoed, en hij is er nog!
Maar die geestdrift kan — en daarvoor vraag ik nog met een
enkel woord uw aandacht — ook geen oogenblik zonder de heili-
gende kracht van Gods genade. Hij is gericht op het allerhoogste,
allerschoonste, waarvan menschelijke idealen maar droomenkunnen:
de eer van God.
Maar ik hoor, terwijl ik dit zeg, buiten onzen kring hier en daar
stemmen op een toon van ongeduld mompelen: die eere Gods:
'n leus, 'n holle klank, 'n vlag die niet de lading dekt, een gere-
formeerd klinkend metaal, een pakkend opschrift voor 'n Calvinis-
tisch reclamebord.
Hebben wij inderdaad dit verwijt verdiend, dat het ons met dit
hooge ideaal ternauwernood ernst is, dat wij veel meer dan daar-
van, vervuld zijn van eigen persoonlijke eerzucht? Laten wij die
vraag niet met een breed gebaar naast ons neerleggen, alsof ze
ons niets te zeggen had. Wij, Calvinisten zijn menschen van gelijke
beweging als wie ook. Niets menschelijks is ons vreemd, en, voor-
zoover wij op onszelf zijn aangewezen, zijn wij boven geen enkele
zondige verleiding verheven. Ook wij, evengoed als ieder ander,
vinden onzen vijand in den trots van het eigen ik, in den hoog-
moed van het hart. Meer dan anderen nog past ons bescheidenheid
want wij missen in wat wij zijn uit eigen aandrift, alles wat ook
maar zweemen zou naar eenig recht tot zelfverheffing. Juist omdat
het ideaal dat ons wenkt zoo verheven is, voelen wij ons zoo klein.
En als wij soms gevaar loopen die kleinheid te vergeten, dan is
de nuchtere werkelijkheid daar om er ons krachtig aan te herin-
neren. Er zijn bladzijden in de geschiedenis van onze Universiteit
die een bijna pijnlijken indruk maken omdat ze spreken van onze
zwakheid, van menschelijke fouten en zonden.
Wie onzer zal durven zeggen, dat hij; altijd verkeert op het hooge
niveau van het ideaal ? dat hij het aireede gegrepen heeft, of ai-
reede volmaakt is ?
„Maar één ding doe ik — zegt Paulus — en in de kracht des
Heer en begeeren wij hem dat van harte na te zeggen: ik jaag er
naar of ik het grijpen mocht." Laat ons hiertoe elkander opwekken
op dit schoone feest, dat tot zoo groote dankbaarheid stemt. Laten
wij hiertoe opnieuw ons allen plechtig verbinden als voor het
aangezicht van God: professoren en studenten, geleerden en een-
voudigen dat wij van Boven de kracht zoeken en de bezieling om
dat eene te doen.
Wij zullen ook dan, als wij in oprechte trouw daar ernst mee
maken, elkander in onze zwakheden hebben te dragen. In den
universitairen kring wordt er wel eens onder gezucht, dat Calvi-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's