Gedenkboek van de viering van het 50-jarig bestaan der Vrije Universiteit te Amsterdam op 20-22 oktober 1930 - pagina 91
REDE DR H. COLIJN 75
Daarvoor onzen dank uit te jubelen is wel het naaste doel van
ons samenzijn op heden.
*
Van waar moet het goud en zilver komen; van waar de mannen
van talent, die als hoogleeraar aan een eigen Universiteit zullen
kunnen optreden? En hoe vinden we een geopende deur voor de
jonge mannen, die er hun studie zullen hebben volbracht?
Dat waren de vragen, die neergelegd waren in de eerste circulaire,
die, op den dag zelf van hare oprichting, door onze Vereeniging
aan het volk van gereformeerde gezindheid was toegezonden.
Niet om hen af te schrikken; veeleer om hen van tevoren te
doordringen van den geweldigen omvang der taak, die men ging
ondernemen.
Aan koenheid van conceptie is op cultureel terrein de wederga
van onze Universiteitsstichting in onze vaderlandsche historie niet
aan te wijzen. Van meet aan wist men toch, dat op zijn best een
beroep kon worden gedaan op hoogstens 10 % van het Nederland-
sche volk en dat op dit volksdeel het „niet vele rijken en niet
vele edelen" in vollen zin toepasselijk was. En ook vergete men
niet, dat de eerste stoot tot oprichting der Universiteit gegeven
werd in hetzelfde jaar, dat men, naar den mensch gesproken, zelfs
den strijd voor een Christelijke lagere school bijna als hopeloos
was gaan beschouwen.
Dat zulk een adelaarsvlucht tot spot, minachting en hoon aan-
leiding gaf, wie, die zijn Bijbel kent, zou zich daarover verwonderen.
De Sanballats kennen we al van Nehemia's dagen. En men kan
ze terugvinden in alle tijdperken der wereldhistorie.
Als Woltjer dan ook in 1881 tot onze Universiteit overkomt,
vraagt men hem meelijdend, waarom hij zijne uitzichtrijke toekomst
verbinden gaat aan een instelling, die immers slechts weinige jaren
haar klagelijk bestaan zal kunnen rekken.
En smalend werd door anderen gesproken van een Universiteit
van bierbrouwers en koekebakkers.
En we ontkennen het niet; de kwartjes, dubbeltjes, en koperen
centen komen meest van kleine burgerij en arbeiders, die jaarlijks
nochtans reeds over de ton verzamelen en straks de gewone con-
tributie tot over de l'/2 ton per jaar zullen opvoeren.
Van de ploeg komen ze geloopen en van de meeltrog om de
penningen aan te brengen voor hun eigen Gereformeerde Univer-
siteit. Zoo kenschetste Kuyper eens de groep contribuanten onzer
Vereeniging. Aan dat geld kleeft zweet, liefde en gebed.
Maar daarom juist was de stap, die tot de oprichting der Univer-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's