Gedenkboek van de viering van het 50-jarig bestaan der Vrije Universiteit te Amsterdam op 20-22 oktober 1930 - pagina 216
190 REDE DS T. FERWERDA
genaamd. In het verslag, dat Het Handelsblad nu 50 jaar geleden
gaf van de openingsplechtigheid in de Nieuwe Kerk, komen enkele
zinsneden voor die den kring van de vrienden en voorstanders
onzer Universiteit met een paar rake trekken in zijn karakteristieke
eigenaardigheid teekenen.
„Het was belangrijk — zegt het blad — die schare van leden aan
te staren die het ruim vulden en wier giften deze Hoogeschool
oprichten en steunen. Men zou die mannen, die, toen het orgel
begon te spelen, onmiddellijk een psalm aanhieven, overal in de
wereld gekend hebben als Hollanders. Men zag niet die domme
gelaatstrekken, welke men den anti-revolutionairen op spotprenten
toekent, maar vele ernstige, goede, echt Hollandsche gelaatstrekken
met breede bovenlip en vastbesloten mond.
De Ruyter's graftombe kon licht tot achtergrond verstrekken voor
vergaderingen van Nederlanders, die zijn hoogen aard, zijn liefde
voor godsdienst en vaderland, zijn trouw aan beginsel minder tot
eer verstrekten dan deze vereeniging van ernstige lieden, die voor
hun overtuiging en beginsel zooveel over hebben en dit openlijk
belijden.
Hun beginselen zijn de onze niet, hun theocratie zullen wij
steeds bestrijden, maar er is iets zeventiende-eeuwsch in hun pogen
en streven, dat ons doet gevoelen in hun midden, dat wij onder
landgenooten zijn, gemeenschappelijke erfgenamen van een heerlijk
verleden."
Er is in deze sympathieke beschrijving die Het Handelsblad ^dX
van de volksgroep die de Vrije Universiteit in het leven riep een
en ander, dat wij nu nè. 50 jaren nog precies zoo zouden kunnen
herhalen. En ik denk daarbij niet in de eerste plaats aan de lichte
voldoening, die het toch even geeft, dat wij, naar de getuigenis van
dit liberale blad, er in werkelijkheid niet zoo dom uitzien, als de
caricatuur ons teekent. Maar — en dit acht ik van veel grooter
belang — ook nu nog een halve eeuw later, voelen wij ons Hollan-
ders, erfgenamen van een heerlijk verleden, waarin het Calvinisme
de bezielende drijfkracht was die ons volk, in de kracht Gods tot
groote daden in staat stelde, en diep in onze ziel leeft tot op dezen
dag een sterke liefde voor Vorstenhuis en Vaderland.
Evenwel hiermee is de Calvinistische geestdrift voor de weten-
schap hoogstens alleen nog maar als verschijnsel even aangeraakt,
maar nog niet in zijn dieperen wortel blootgelegd. Het zoo even
geciteerde krantenverslag heeft in de Calvinistische physionomie
den vastbesloten mond als een typeerenden trek opgemerkt. Maar
waar hebben wij den oorsprong te zoeken van die onverzettelijke
beslistheid, die, als het moet, niet alleen het initiatief neemt, maar
ook volhoudt en doorzet?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's