Gedenkboek van de viering van het 50-jarig bestaan der Vrije Universiteit te Amsterdam op 20-22 oktober 1930 - pagina 164
142 ANTWOORD DR H. COLIJN
In de eerste plaats moet ik een correctie aanbrengen op een
paar cijfers, die ik heden morgen in mijne rede heb genoemd.
Gewagende van de Jubileumgift van drie ton bij ons Gouden feest,
heb ik de verwachting uitgesproken, dat bij ons Diamanten
feest over 25 jaar een Jubileumgave van een half millioen en bij
het Eeuwfeest een extra gave van een millioen zou worden op-
gebracht. Maar die raming vereischt in het licht van de cijfers,
nu door den heer Grosheide gegeven, een rectificatie. Ik durf nu
zoover gaan om voor het Diamanten jubileum te gewagen van
een millioen, instede van een half millioen. Dan laat ik het cijfer
voor het Eeuwfeest aan Uw eigen fantasie over.
Maar ik heb nog iets, broeders en zusters. Hoe dankbaar wij ook
zijn voor deze gift, gij weet, wij zijn er nog niet. Want toen
Directeuren zich tot U hebben gewend met het verzoek een
jubileumgave van drie ton ineens bijeen te brengen, hebben wij
U tegelijk gevraagd, om de jaarlijksche contributie, hoewel die
reeds het bedrag van een ton per jaar overschreed, te willen
verhoogen tot f 160- è, f 170.000.—. Dat cijfer, dat noodig is voor
de instandhouding van de Universiteit in haar nieuwen vorm, d. w. z.
met inbegrip van haar vierde faculteit, hebben wij nog niet bereikt.
Maar ik ben er volkomen van overtuigd, dat op de eerstvolgende
jaarvergadering Directeuren zullen kunnen zeggen, dat dat bedrag
metterdaad verkregen is. En waarom durf ik dat zeggen?
Ik heb vanmorgen gezegd, dat het geld voor de V. U. voor een
belangrijk deel bijeenkomt door kwartjes, dubbeltjes en koperen
centen. En daarin ligt hu juist de bron van ons vertrouwen, dat
ons volk ons geven zal, wat wij noodig hebben. Ik vraag een
oogenblik Uw aandacht voor het penningske der weduwe.
In onze Standaard van een paar dagen geleden zond een 77-jarige
weduwe het volgende eenvoudige gedichtje in:
„Het penningske der weduwe wordt, hoop ik, niet versmaad.
Weet, dat zich bij dat penningske een dankend harte paart.
Een halve eeuw toch meeleven met zooveel zegeningen.
Dat doet mij, oud van dagen, den lof des Heeren zingen!
En daarbij was gevoegd een brief, waarbij de contributie van
f 2.— per jaar verhoogd werd tot f 3.— per jaar.
Broeders en Zusters. Als wij allen dat voorbeeld volgen van die
77-jarige weduwe, dan hebben Directeuren alles wat zij behoeven.
En nu rest mij nog een bijzonder aangename taak.
Mijnheer Grosheide heeft zooeven zoo wat iedereen bedankt,
die medegewerkt had aan het verzamelen van deze jubileumgift.
Zoo wat iedereen. Want hij heeft er een paar vergeten. In de
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's