Gedenkboek van de viering van het 50-jarig bestaan der Vrije Universiteit te Amsterdam op 20-22 oktober 1930 - pagina 224
196 REDE DS T. FERWERDA
het gunstigste licht gezien, onwillekeurig doet denken aan den ver-
loren zoon uit de gelijkenis, wiens val immers niet eerst begon
toen hij zijn geld doorbracht, levende overdadiglijk, maar die reeds
gevallen was in het oogenblik, waarin hij vaders goed eischte, en
den vader zelf den rug toekeerde.
Wij zien uit door het venster. Wij zien daar de boeiende pracht
van een omhoogworstelend leven. Wij zien er mannen en vrouwen
die wij hoogachten om hun nobelen zin, om hun talent, om hun
denkkracht, om hun edele kunstenaarsgaven, om de zelfopoffering
waarmee zij zichzelf aan de gemeenschap geven, om den dorst
waarmee zij, even eerlijk en oprecht als wij, de waarheid zoeken,
om den strengen ernst waarmee zij de wetenschap dienen. Ja, wij
zien daarbuiten veel, dat stemt en prikkelt tot oprechte waar-
deering, tot hartelijke bewondering en onze blik rust op menigeen,
tegenover wien wij ons ver de minderen voelen, wien wij gaarne
het tribuut betalen van onze hulde. Maar wij missen daar in het
bonte gewoel dat eene, dat ons hart er met groot verlangen zoekt:
de hemelen vertellen Gods eer — de menschen zwijgen. De eene
dag spreekt tot den anderen van zijn glorie — de menschen
zwijgen. Geen spraak en geen redenen zijn er waar der hemelen
stem niet wordt gehoord, maar de menschen zijn doof en zwijgen.
Alle stervelingen juichen in het licht van de zon, en zij groeten
den held als hij uitgaat vroolijk om het pad te loopen. Maar voor
Hem, die haar schiep zijn ze blind en zwijgen.
En bij dat zwijgen — schreit onze ziel. En al wat in ons is, roept
naar buiten! O, 't is rustig, vredig, veilig in de binnenkamer. Daar
buiten in de wieling van den stroom worden wij als christenen
geslingerd, gejaagd, gedeukt en gehavend, daar dreunen soms de
grondvesten van het geloof onder de mokerslagen van den tegen-
stand ; daar in de bruisende branding giert de storm door de touwen
en kraakt het ranke scheepke onzer ziel; daar dringen van alle
kanten gevaren op ons aan en toch, al zou het nog tien maal erger
worden en in geestelijk opzicht nog honderd maal donkerder —
naar buiten! het koste dan wat het kost. Naar buiten om, zij het
misschien met zwakke stem, die in het rumoer verloren gaat^ des-
ondanks voor heel het breede terrein van het leven, te vertellen
wat de hemelen vertellen: de majesteit van den Hoogen God, Wien
alleen de eere toekomt van het gansche breede gebied en op elk
klein deel van het groote, zwoegende leven. En als de menschen
niet luisteren willen naar ons zwakke woord, dan hoort Hij het
toch die boven de sterren woont. Daarom gaat het bovenal. Dat er
in dit land en in deze wereld blijve een volk, dat Hem brengt wat
de wereld Hem ontrooft: het reukoffer van eerbiedige en dankbare
aanbidding!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's