Gedenkboek van de viering van het 50-jarig bestaan der Vrije Universiteit te Amsterdam op 20-22 oktober 1930 - pagina 244
214 REDE PROF. MR A. ANEMA
wel de versterking van het gevoel onzer onbreekbare saamhoorig-
heid. Zoolang maar dat gevoel geworteld blijft in het diepst van
ons hart, in hetgeloof dat God Zelf ons heeft vereenigd door de liefde
tot Hem en voor het werk, waartoe Hij ons riep, vrees ik voor de
toekomst niets; maar omgekeerd, rafelt en scheurt eenmaal die band,
dan is het met onze zaak gedaan, onherroepelijk en voorgoed. Wij
hebben van buitenaf niet veel heil te wachten. Het heeft harden
strijd gekost om de erkenning van civiele effectiviteit onzer graden
als onmisbare voorwaarde voor onze verdere ontwikkeling te ver-
krijgen en zelfs een zoo bezadigd lichaam als de Eerste Kamer der
Staten Generaal moest aan een Phoenix-kuur worden onderworpen
om zoover te komen. Als niet alle voorteekenen bedriegen, zal het
een nog harderen kamp kosten om behoorlijken en billijken stoffe-
lijken steun voor ons streven te vinden uit de kas van den Staat,
voor wiens welzijn toch de eigen veerkracht der nationale groepen
een levensvoorwaarde van den allereersten rang is. Zelfs de van
ouds op onderwijsgebied zoo befaamde, maar toch in dit verband
ietwat muf ruikende leuze van de „eenheid de natie" wordt tegen
onze aanspraken op nationale beteekenis in het vuur gebracht en
het al evenmin meer frisch gegoochel met het vrijheidsbegrip moet
dan blijkbaar het overige doen.
Wij zijn op eigen kracht en eigen kring aangewezen en naar
buiten zullen wij zedelijk en zakelijk te sterker staan naarmate wij
er beter in slagen anderen te overtuigen, dat er werkelijk bij ons
eendrachtige kracht aanwezig is en dat wij die tevens vermogen
om te zetten in daden die vrucht dragen. Welnu de zenuw van
die kracht schuilt louter en alleen in onze onderlinge nauwe aan-
eensluiting; het is een grootsch maar een ongelooflijk moeilijk werk,
waartoe ons volk en onze universitaire garde zich samen hebben
aangegord, en dat van hen allen niet alleen onverdeelde toewijding,
maar ook ingrijpende zelfverloochening vordert. Alleen als daartoe
bereidwilligheid bestaat bij elk onzer tot den laatsten man en de
laatste vrouw toe — want wij kunnen niemand missen — is onze
toekomst verzekerd. Wat zij ons brengen zal weet niemand onzer,
behalve dat ééne, dat een onverdroten worsteling tegen vijandige
machten daarbuiten en ons eigen booze hart daarbinnen ons zeker
wacht. Met enkel gewillig offeren van geld en goed uwerzijds en
ijverig studeeren onzerzijds komen wij er niet; het is onmisbaar,
maar het is niet genoeg. Evenmin gaat het om enkele sprekende
daden onder de bezieling van een aangrijpend oogenblik, al kunnen
en willen wij ook die hoofdpunten in ons gemeenschapsleven niet
ontberen. Juist in het gestadige, in het duurzame, in het onver-
flauwde en daarom in het diepgewortelde onzer actie zit de moei-
lijkheid. Alle groot werk, en zoo ook dit werk, is nu eenmaal
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Publicaties VU-geschiedenis | 262 Pagina's